HOME

KAZERNE'S BREDA

CHASSÉKAZERNE BREDA

In 1898 werd begonnen met de bouw van de kazerne, de oplevering was op 1 juli 1899. Genie-officier W. Cool vervaardigde in twee maanden de ontwerpen voor de kazerne en werd vervolgens met de uitvoering belast. Toen de kazerne in augustus 1899 was voltooid, oordeelde men haar de mooiste en doelmatigste in het land. Het exercitieterrein diende ook als paardenrenbaan voor de Harddraverij- en Renvereniging. Het gebouw van 108 meter breed heeft in het midden een mooie façade. Het bestaat uit twee woonlagen. Het beschikt over diverse hoektorentjes, kantelen en imitatie-schietgaten. De bouwstijl is Neorenaissance. In het portiek voor de hoofdingang is het wapenschild van generaal baron David Hendrik Chassé en een schild met de plattegrond van de citadel van Antwerpen. De voordeuren waren van djatihout met grote hengels. Achter de voorgevel is een ondiep gebouw met een gang met aan een zijde kamers. Aan de achterzijde zijn vier paviljoens. De kazerne was oorspronkelijk bestemd voor twee bataljons (2000 man). Door verbouwingen is er weinig van het oorspronkelijke interieur overgebleven. In 1994 zijn het bibliotheekinterieur en het verenigingslokaal voor de officieren gedemonteerd en is de laatstgenoemde als pronkkamer weer opgebouwd in het "Museum Korps Rijdende Artillerie" op de legerplaats bij Oldebroek, 't Harde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er in de kazerne opleidingseenheden van de Kriegsmarine. In 1948 werd het Artillerieschool, later Artillerie Opleidingscentrum. In 1952 werd de Claudius Prinsenlaan aangelegd. In 1993 verhuisde het Artillerie Opleidingscenrum naar Oldebroek. Van 1994-1995 werd de kazerne bewoond door asielzoekers. In juni 1998 begon rondom de Chassékazerne de bouw van de wijk Chassé Park ontworpen door Rem Koolhaas. In 1998 werden het Stadsarchief en het Breda's Museum in de Chassékazerne ondergebracht. In gebouw F is de culturele instelling de Stadsgalerij Breda gevestigd.

KLOOSTERKAZERNE BREDA

De Kloosterkazerne is een bouwwerk in Breda aan het Kloosterplein en de Claudius Prinsenlaan in het centrum van de stad. Het ligt dicht bij de wijk Chassé Park. Het maakte oorspronkelijk deel uit van een nonnenklooster gebouwd in opdracht van het Norbertinessenconvent Sint-Catharinadal. De zusters van Sint-Catharinadal, kregen van Raso II van Gaveren (Heer van Breda), nadat zij in 1295 waren ingetrokken in het gasthuis van Breda, toestemming een nieuw verblijf buiten de stadsmuren te bouwen op een hoger gelegen terrein (dekzandrug), vlak bij een eikenbos.[1] In 1308 werd daarom een houten klooster gebouwd met bijbehorende kapel (Sint-Catharinadalkapel). De kapel (eerste vermelding 1314) was een zaalkerk, bezat mogelijk een plavuizenvloer en was vermoedelijk in romaanse stijl gebouwd.[1] Het klooster was toegankelijk vanuit de stad door een speciale nonnenpoort, nabij de molenstraat en de gevangenispoort. Een brug over de stadsgracht bood toegang tot het complex.[2] Het complex bezat een groot terrein waarop landbouw werd bedreven, het zogenaamde Nonnenveld. Er was een vijver aanwezig die mogelijk diende voor visvangst. Ook was er een ziekenhuis (1480) en een rosmolen (1453) aanwezig. Oorspronkelijk werd de mis in de kapel uitsluitend bijgewoond door nonnen. Later werd deze kapel echter ook toegankelijk voor openbare (katholieke en protestante) diensten. Het huidige gebouw diende oorspronkelijk als kloosterkapel en werd gebouwd in de periode 1501-1504 naar plannen van bouwmeester Cornelis Joos. Er is sprake van een dubbelkapel: geestelijken zaten boven, afgezonderd van de overige kerkgangers. Inwijding op 26 juni 1504 door Egidius de Mercia. Met de bouw van nieuwe stadsmuren tussen 1531 en 1536 kwam de kloostergemeenschap binnen de stadsgrenzen te liggen. Een deel van het terrein (waaronder het Nonnenveld) bleef echter buiten de stadsmuren, waardoor deze feitelijk werden onteigend. In 1520 brandde het ziekenhuis op het complex af. Waarschijnlijk in verband met een uitbraak van pest. De kapel bleef gespaard bij de grote stadsbrand op 23 juli 1534. De rest van het kloostercomplex brandde echter af. De kapel is een langgerekt en hoog gebouw, in laat Brabants Gotische stijl, waarvan de steunberen natuurstenen speklagen hebben. In 1646 werd in dit gebouw gevestigd de door prins Frederik Hendrik gestichte Illustere school (tot 1669). De nonnen vertrokken daarom in 1646 naar een ander onderkomen (het huis Assendelft in de Nieuwstraat) in Breda om op 16 oktober 1647 naar Oosterhout te vertrekken. Tijdens de oorlog met Frankrijk kwamen de zusters terug in 1672 om in 1679 voorgoed te vertrekken naar Oosterhout. Op 11 juli 1679 werd de laatste openbare mis voorgelezen.

TRIP VAN ZOUTLANDT KAZERNE BREDA

Vanaf 1906 was de vestiging van een cavaleriekazerne in Breda een belangrijke prioriteit van het college van burgemeester en wethouders van Breda. Behalve werkgelegenheid leverde een nieuwe kazerne vooral aanzien op voor Breda als militaire stad. De gemeente was bereid om de gronden voor de kazerne op te kopen en om niet over te dragen aan het rijk. Omdat binnen de gemeentegrenzen van Breda geen ruimte gevonden kon worden voor de aanleg van de kazerne, werd hij in 1912-1913 gebouwd op het grondgebied van buurgemeente Teteringen. De kazerne werd aangelegd in een rechthoekig stramien in paviljoenbouw met een naastgelegen appel- en paradeplaats. In 1933 werd de kazerne vernoemd naar jonkheer Trip van Zoudtlandt.

SEELIGKAZERNE BREDA

In 1682 neemt het leger de Gasthuisvelden in gebruik als excercitieterrein. Op het terrein was al een gebouw in gebruik, dat later Het Klein Arsenaal genoemd zou worden. Het gebouw stamt uit 1640, en werd vernieuwd in 1836.[1] Een tweede arsenaal werd op het terrein gebouwd en kreeg de naam Het Groot Arsenaal. Deze stamt uit 1771 en werd ontworpen door de Franse architect J.C.W. Herlin. Verdere uitbreidingen dateren van 1890 en 1928. Het Groot Arsenaal is het oudste nog bestaande gebouw van de kazerne en is geklasseerd als rijksmonument. Vanaf 1836 was het kazernecomplex in gebruik door het legeronderdeel van de artillerie. Als laatste tot 2016 was hier de Nederlandse Defensie Academie in gevestigd.[2] Daarmee nam defensie ook afscheid van het terrein. Naast het hoofdgebouw bleven Het Groot Arsenaal en Het Klein Arsenaal behouden. Deze werden gerestaureerd en in oorspronkelijke staat teruggebracht.[3] De naoorlogse bouwwerken op het militaire terrein zijn gesloopt.

Klein Arsenaal In 1642 verrees op de Gasthuisvelden een arsenaal ofwel opslagplaats voor wapens, een onmisbaar onderdeel van een garnizoenstad. Veertig jaar later werd het hele gebied tot exercitieterrein bestemd zodat het gebied ten zuiden van de Haagdijk en Mark een militair karakter kreeg. In 1764 werd een tweede arsenaal opgetrokken waarna men ging spreken van Groot en Klein Arsenaal. In 1836 werd het Klein Arsenaal ingrijpend verbouwd. Na de ontmanteling van de vesting werd op de Gasthuisvelden de Seeligkazerne gebouwd als huisvesting van de veldartillerie. De monumentale arsenaalgebouwen maken sindsdien deel uit van de kazerne en fungeren momenteel als opleidingsgebouw.

KMA KASTEEL VAN BREDA

De hertog van Brabant verkocht Breda in 1353 aan de Hollandse edelman Jan II van Polanen, Heer van Breda, die de burcht versterkte met een gracht en vier hoektorens. Het zo ontstane kasteel werd in de verdedigingswerken van Breda ingepast. De laatste telg van het geslacht Van Polanen, zijn kleindochter Johanna van Polanen, trouwde in 1403 met de Duitse edelman Engelbrecht I van Nassau-Siegen, waardoor Breda incluis het kasteel in handen van deze voorname familie kwam. Dit huwelijk vormt het begin van de band tussen Nederland en het huis van Oranje-Nassau.

Door Engelbrechts zoon, Johan IV van Nassau-Siegen, werd het kasteel kort na 1460 vergroot. De Rekenkamer van het kasteel van Breda, waar de vele bezittingen van de Nassaus werden vastgelegd, werd in deze periode gebouwd, en ook de nog bestaande Nassautoren is van deze tijd. Zijn achterneef Hendrik III van Nassau-Breda drukte een nog zwaarder stempel op zowel Breda als haar kasteel: hij liet het kasteel in 1536 verbouwen tot een renaissance-paleis. Hij maakte de voltooiing echter niet meer mee: hij stierf in 1538 en werd opgevolgd door zijn zoon René van Chalon. Die maakte het werk van zijn vader af en bouwde in 1540 de prachtige Hofkapel.

René de Chalon stierf zeer jong en zonder echtelijke kinderen. Het kasteel kwam toen, evenals de titel Prins van Oranje, in handen van zijn elfjarige Duitse neef Willem van Nassau-Dillenburg, de latere Willem van Oranje die de beroemdste bewoner van het Kasteel is. In zijn strijd tegen het Spaanse gezag kreeg het kasteel opnieuw een militaire functie.

In 1667 werd in het kasteel de Vrede van Breda getekend door vertegenwoordigers van Engeland, de Republiek der Verenigde Nederlanden en Frankrijk, waardoor er een einde kwam aan de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog. Stadhouder-koning Willem III bouwde tussen 1686 en 1695 het kasteel verder uit, waarbij het de naam Prinsenhof krijgt. Hij en zijn opvolgers verblijven echter maar weinig in het kasteel.

In de Franse tijd (18e eeuw) deed het Kasteel van Breda dienst als kazerne en militair hospitaal.

Koning Willem I stelde in 1826 het Kasteel van Breda ter beschikking aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA); in 1828 arriveerden de eerste cadetten.

25 jaar KMA 1853
In 1853 werd met veel feestelijkheden het 25-jarig bestaan van de Koninklijke Militaire Academie gevierd. De Bredase schilder Reinhardt Willem Kleijn (1828-1889) schilderde hiervan dit grote schilderij. De hele elite van Breda heeft zich verzameld op de Parade van de KMA om met praalwagens en een optocht dit feit te vieren. Lieftallige jongedames symboliseren vooruitgang, handel en industrie. De schilder was de broer van de eerste archivaris van Breda. Zijn neef was Pieter Rudolph Kleijn, een leerling van de beroemde Franse schilder Jacques Louis David. In dit werk blijken de beperkingen van de jonge schilder bij een grotere compositorische opgave. Het is een historisch interessante voorstelling, naïef in zijn precisie op anekdotische details.

MARECHAUSSEE KAZERNE BREDA

De brigade Breda werd opgericht op 3 april 1818 en werd opgeheven op 1 maart 1943.

Na de oorlog was weer behoefte aan de Koninklijke Marechaussee
Opnieuw opgericht op 29 juli 1946 en opgeheven en gesloten op 1 april 2007.