DE AANLEG VAN DE NIEUWE BOULEVARD
Een eigen gas- en waterleiding voor de Boulevard?
De problemen waren hiermee nog niet opgelost. De gemeente Breda wilde het liefst leveren aan de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij. De bouwgrondmaatschappij op haar beurt zag liever dat de gemeente rechtstreeks aan de bewoners zou leveren. De gemeente hield voet bij stuk en op 15 juni 1899 deelde de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij mee dat de maatschappij geen gebruik zou maken van de vergunning. Al in april 1899 had E.L.A. Penn, als commissaris van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij bij de gemeente Ginneken een aanvraag ingediend om een waterleiding te mogen exploiteren. De firma Geneke uit Amsterdam was reeds aan het boren nabij Boeimeer. Op 11 mei 1899 verscheen er een bericht in de Bredasche Courant dat er geruchten gingen dat er een grote maatschappij zou worden opgericht om de omliggende plaatsen Princenhage, Ginneken, Teteringen en Oosterhout van elektrisch licht of gaslicht en van bronwater te voorzien Aan de gemeenten Princenhage, Ginneken en Teteringen zou reeds concessie zijn aangevraagd voor een waterleiding en op de Boulevard Mastbosch zou een boring tot op een diepte van 40 meter zijn verricht, die overvloedig en uitstekend water opleverde. In september 1899 nog vroeg de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij inderdaad aan de gemeente Ginneken toestemming om in de onmiddellijke nabijheid van de Boulevard een fabriek voor gas- en waterleiding op te mogen richten
Gaslantaarns
Het is de vraag of de voorbereidingen van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij voor een eigen gas- en waterleiding wel allemaal serieus bedoeld waren. De onderhandelingen tussen de bouwgrondmaatschappij en de gemeente Breda werden namelijk voortgezet en op 23 september 1899 kon de levering van gas en water op nieuwe voorwaarden door de gemeenteraad worden goedgekeurd. Vóór de jaarwisseling nog werd de Boulevard door de gemeente Breda aangesloten op de gasleiding in de Wilhelminastraat. In januari 1900 werden de eerste gaslantaarns op de Boulevard geplaatst. Alle huizen, voor zover reeds gebouwd, waren toen al voorzien van gas- en waterleiding. In de loop van 1900 werd voor rekening van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij het overige gedeelte van de gasleiding in de nieuwe Boulevard aangelegd. Van de geplaatste lantaarnpalen waren er in 1900 nog maar elf voorzien van lantaarns en in december van dat jaar werd er door 17 bewoners van de Boulevard gas gebruikt. In 1901 werd de gasleiding in de Ginnekenstraat, Nieuwe Ginnekenstraat en Wilhelminastraat opgebroken en vervangen door een leiding met een grotere diameter. Een geregelde gastoevoer naar de nieuwe wijken ten zuiden van Breda was hiermee gewaarborgd. Naarmate de bebouwing toenam, werden er door de bouwgrondmaatschappij meer lantaarns geplaatst. In 1904 waren er aan de Baronielaan 17 lantaarns in gebruik, en in 1907 was dat aantal gestegen tot 25. Vanaf 1903 werden de oude vierkante lantaarns in de gemeente Breda vervangen door nieuwe Ritter-mantellantaarns. Op prentbriefkaarten is echter duidelijk te zien dat op de Baronielaan tot aan de reconstructie van 1928 altijd het oude, vierkante model in gebruik is gebleven. In 1914 brandden er op de Baronielaan 38 lantaarns
The General Ozone and Electrical Supply Co. Ld.
Toen de nieuwe Boulevard werd geopend, was de technische kennis om een elektriciteitsnet aan te kunnen leggen reeds aanwezig. Allerlei pogingen vóór 1897 om in Breda of in een van haar voorsteden een elektrische voorziening op te zetten hadden echter schipbreuk geleden. De gemeente Breda was bang voor concurrentie voor de stedelijke gasfabriek en bovendien deden zich organisatorische, technische en financiële problemen voor. Ook wat betreft de invoering van de elektriciteit was de aanleg van de Boulevard een'stimulans voor nieuwe ontwikkelingen. Verschillende particuliere maatschappijen dienden bij de gemeenten Breda en Ginneken een concessieaanvraag in. Breda besloot echter de elektrische verlichting te zijner tijd in eigen beheer te nemen. In 1899 verleenden de gemeenten Ginneken en Teteringen echter concessie aan The General Ozone and Electrical Supply Co. Ld. voor de tijd van dertig jaar ter verschaffing van geozoniseerd water. De machines die voor de reiniging van het water dienden, zouden tevens de beide gemeenten elektrisch verlichten. De 'General Ozone' had grootse plannen. Met de gemeenten Oudshoorn, Alphen aan den Rijn en Aarlanderveen waren reeds onderhandelingen aangeknoopt en de maatschappij had ook contacten met de steden Sneek, Bolsward en Franeker. De uiteindelijke uitwerking was heel wat bescheidener. In december 1900 werd door de gemeenteraad van Ginneken concessie verleend aan de heer J.M. Simon voor een elektriciteitscentrale. Na veel moeilijkheden werd deze pas geopend in 1904. De centrale stond aan de Ulvenhoutselaan. Het gebouw bestaat nog steeds, een waar industrieel monument. Simon had concessie om stroom te leveren in Ginneken en in de Zandberg onder Teteringen, maar blijkbaar had hij geen toestemming van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij om elektriciteit te leveren aan de Boulevard. Wèl werd elektriciteit geleverd aan de Duivelsbruglaan en de Burgemeester Kerstenslaan en later aan de Dennenlaan (de huidige Teychinélaan) en de Burgemeester Passtoorsstraat. Het duurde tot 1918 voordat de bewoners van de Baronielaan elektrisch licht konden ontsteken. In dat jaar werd in Breda een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf opgericht, dat in 1919 werd aangesloten op het provinciale net van de PNEM.
Telefoon
De aanleg van de telefoon gaf heel wat minder problemen. In 1907 verleende de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij toestemming aan de Algemene Telephoon-Maatschappij, voorheen Ribbink, van Bork en Co., op de Baronielaan telefoonpalen te zetten. De leiding liep echter maar tot aan de brug. In 1913 werd de telefoonlijn verlengd naar het tweede gedeelte. In 1916 ten slotte werd een telefoonkabel gelegd in de Baronielaan en konden de palen weer verdwijnen. Hotel Mastbosch had al telefoon in 1907. De telefoonlijn hiernaar toe was blijkbaar aangelegd vanuit Ginneken.
DE KERK VAN HET HEILIG HART VAN JEZUS
In de negentiende eeuw was het in Nederland en België een normale praktijk voor onroerend-goedontwikkelaars in hun plannen de bouw van een kerk op te nemen. Voorbeelden daarvan zijn de Vondelkerk in Amsterdam en de Basiliek van Koekelberg in Brussel Niet geheel toevallig waren dit allebei kerken die toegewijd waren aan het Heilig Hart van Jezus. Deze devotie kende in deze tijd een enorme opgang. In Breda was het niet anders. In februari 1899 werden de plannen bekend gemaakt voor de stichting van een nieuwe parochie In het Zuiderkwartier, zoals het al door de Nieuwe Bredasche Courant genoemd werd, dat door de aanleg van de nieuwe Boulevard en de aanbouw van de huizen elders een zeer beduidende uitbreiding had gekregen, deed zich de behoefte aan een nieuwe rooms-katholieke kerk sterk voelen. Reeds enige tijd was daarom bij de bisschop het plan gerijpt in deze nieuwe 'voorstad' een kerk te doen verrijzen. Na verschillende besprekingen tussen de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij en het bisdom konden beide partijen tot een overeenkomst komen. De Bouwgrond-Maatschappij stelde de prijs niet al te hoog. Met deze beslissing mogen èn Bisdom èn Bouwgrondmaatschappij zeer verblijd wezen, aldus de Nieuwe Bredasche Courant. Voor de tweede Bouwgrond-Maatschappij is de oprichting van een kerk op eigen terrein een niet te versmaden buitenkansje: waar een kerk staat, worden ten spoedigste huizen gebouwd. Het aantal Hervormden in Breda was niet zó groot dat het noodzakelijk was in verband met de stadsuitbreiding nieuwe kerken te bouwen. De bewoners van de Baronielaan onder de gemeenten Teteringen en Princenhage behoorden tot de Hervormde gemeente Breda. De Hervormden onder de gemeente Ginneken behoorden tot de Hervormde gemeente van die naam.
Een sieraad voor het nieuwe stadsgedeelte
Op 17 november 1899 werd door de bisschop de parochie van het Heilig Hart van Jezus opgericht •'94i De nieuwe parochie werd kerkelijk tot de stad Breda gerekend, waarmee de bisschop reeds vooruit liep op de plannen tot grenswijziging. De parochie omvatte het Wilhelminapark, de Zandberg en de gehele Nieuwe Boulevard. De grens ervan viel waarschijnlijk samen met de nieuwe gemeentegrens die in 1899 door het Bredase gemeentebestuur was voorgesteld. De pastoor van de Sint Laurentiusparochie van Ginneken was het hier niet mee eens. Hij had liever gezien dat de Boulevard ten zuiden van de brug bij zijn parochie gebleven was. Het verkeer van Breda met het bosch zich natuurlijk verleggen over den nieuwen weg, waardoor Ginneken weldra veel zal weghebben van een ville morte, aldus de pastoor. De bisschop benoemde P.C. Franssen tot bouwpastoor (19S1 Architect Van Genk te Leur werd aangezocht het ontwerp voor het kerkgebouw te maken. Een sieraad voor het nieuwe stadsgedeelte, dit kerkgebouw, aldus het Dagblad van Noord-Brabant over het ontwerp. De eerste steen werd gelegd op 22 juni 1900, de feestdag van het Heilig Hart van Jezus. Op 18 december 1900 werd de kerk ingezegend door Mgr. Van Oers, deken van Breda en pastoor van Princenhage. Op 3 juni 1901 werd de kerk gewijd door de bisschop van Breda, Mgr. Leijten. De kerk is uitgevoerd in vroeg-gotische vormen, hier en daar wat plomp, aldus Jan Kalf. Opvallend zijn de zuilen van gepolijst hardsteen met zandstenen kapitelen, die door Van Genk in meerdere van zijn kerken zijn toegepast. Aan de nieuwe Boulevard stonden nog maar enkele huizen en men besloot daarom de kerk slechts gedeeltelijk af te bouwen. Aan het schip werd een nood-priesterkoor gebouwd. Pas in 1930-1931 werd het gebouw zoals wij dat nu kennen voltooid.
Het Heilig Hart van Jezus
Dedevotie van het Heilig Hart richtte zich uiteindelijk tot de persoon van Christus, maar in het bijzonder tot Zijn lichamelijk hart, natuurlijk symbool van Zijn liefde. De devotie is al ontstaan in de zeventiende eeuw als gevolg van de visioenen van de non Margareta Maria Alacoque, die verbleef in het klooster in Paray-le-Monial in Frankrijk. Pas in de negentiende eeuw kreeg de devotie in Frankrijk een grotere verbreiding, met name in nationalistische, conservatieve en royalistische kringen. In 1870 verloor Frankrijk de oorlog tegen Duitsland. Als boetedoening besloot de Assemblee Nationale in 1873 tot de bouw van de basiliek van het Heilig Hart, de SacréCoeur, op de heuvel van Montmartre. De bouw van deze kerk was de beslissende stoot tot een wijde verbreiding van de Heilig Hartdevotie. In 1899 werd de litanie van het Heilig Hart door paus Leo XIII voor de gehele katholieke kerk goedgekeurd. De jaren tussen de twee Wereldoorlogen vormden het hoogtepunt van de Heilig Hartdevotie. Op verschillende plaatsen werden Heilig Hartbeelden opgericht en in veel katholieke huisgezinnen bevond zich een Heilig Hartbeeld in de huiskamer. Na de Tweede Wereldoorlog, dus al vóór her Vaticaans Concilie, werd de verering echter snel minder.
Men zou denken dat de kerk aan de Baronielaan het centrum zou vormen van de Heilig Hartdevotie in het bisdom Breda. Dit blijkt echter niet het geval te zijn. In 1922 tekende de pastoor in zijn Liber Memorialis aan dat de Broederschap van het Heilig Hart niet op grote bloei kon bogen. Op het hoofdaltaar van de Heilig Hartkerk aan de Baronielaan stond een beeld van het Heilig Hart en in een van de zijkapellen was bovendien een altaar aanwezig van het Heilig Hart van Onze Lieve Vrouw
Het klooster
In 1899 verzocht pastoor Franssen de Congregatie der Penitenten-Recollectinen van Etten in zijn parochie een zusterschool te stichten. Op 6 oktober kocht de congregatie een stuk bouwgrond aan de Boulevard naast de kerk en op 30 december 1899 een aangrenzend perceel weiland van J. Oomen. Op 15 mei 1901 werd door pastoor Franssen de eerste steen gelegd voor het Sint-Gerardusgesticht. Aan het eind van dat jaar namen elf zusters uit Etten hier hun intrek. De zusters hielden een bewaarschool voor kleuters en een lagere school voor meisjes. Het kloostergebouw maakt een zware en massieve, om niet te zeggen sombere indruk, in tegenstelling tot de villa-achtige herenhuizen die ernaast staan. Het klooster is tegenwoordig, samen met de naastgelegen herenhuizen in gebruik door het Riagg en heeft zo nog een nuttige bestemming gevonden.
SPORTTERREINEN ALS STIMULANS VOOR DE ONTWIKKELING VAN DE BOULEVARD
In navolging van de renbaan van Stokkel bij Brussel ontstonden aan de nieuwe Boulevard diverse sportterreinen. Hier was ruimte beschikbaar en bovendien leverde dit passagiers op voor de Tram Breda-Mastbosch. In oktober r898 al beschikte deJoothballclub Brabantia over een nieuw veld aan de Boulevard |2O4). Het terrein was gelegen in Boeimeer achter de moezerij van de heer Ballintijn. Vanaf de Baronielaan kon het bereikt worden via het Bruggetje van Ballintijn, dat pas in maart werd gebouwd. Blijkbaar had de eigenaar van de moezerij geen zin Brabantia toestemming te geven gebruik te maken van zijn nieuwe brug, want na de wedstrijd op zondag 5 maart r899 versperden een paar veldwachters het publiek de weg terug naar huis De toeschouwers waren daardoor genoodzaakt een omweg te maken over de huidige Willem van Oranjelaan. Later zullen de geschillen wel bijgelegd zijn. In 1900 ging het al niet zo goed meer met Brabantia en werd het terrein aan de Nieuwe Boulevard overgenomen door de voetbalvereniging NOAD, een van de voorlopers van het huidige NAC. Het terrein kreeg nu het karakter van een echt sportterrein, want behalve voetbal beoefende NOAD ook het cricketspel en men speelde lawn-tennis. Op zondag 15 juli 1900 vierde NOAD hier zijn vijfjarig bestaan (20!>). Het terrein was met vlaggen versierd. Enkele jaren later was NOAD echter al weer verhuisd naar het middenterrein van de wielerbaan, verderop aan de Boulevard. In 1920 werd in Boeimeer het terrein geopend van de Roomsch-Katholieke Voetbal-Vereeniging Bredania. Waarschijnlijk is dit terrein identiek met het oude Brabantia- en NOAD-terrein
De Bredasche Wielerbaan text-start
Nog belangrijker voor de ontwikkeling van de Boulevard was de aanleg van de Bredasche Wielerbaan. Op 1 januari 1902 werden de eerste plannen voor het bouwen van de baan bekend gemaakt. Aanvankelijk was het de bedoeling haar te bouwen op het terrein bij de remise van de Boulevardtram. Dit terrein bleek echter te klein te zijn, waarna besloten werd de baan te bouwen aan de oostzijde van de Boulevard, ongeveer ter plaatse van de huidige Burgemeester Passtoorsstraat en Cartier van Disselstraat. In mei 1902 was men al druk bezig. Op zondag 1 juni 1902 vonden de openingswedstrijden plaats op de zogeheten Wielerbaan Breda l213k Wat 'n succes! Prachtig weer, een mooi stel rijders, een geestdriftig publiek op alle rangen en geen ongelukken l214\ De trams hadden moeite de mensen aan te voeren. Zelfs de loopplanken waren bezet. Toen het publiek na de wedstrijden de wielerbaan verliet, botsten twee trams in de drukte op elkaar. Passagiers sprongen van schrik van de tram af. Een van de koetsiers wist zijn paard nog buiten de rails te krijgen, maar het andere paard raakte bekneld.
Een treurig einde
Pas op 21 oktober 1902 werd een maatschappij opgericht voor de exploitatie van de wielerbaan, de N.V. Sportterreinen Breda. Het doel van de N.V. was de exploitatie van een terrein, geschikt voor het houden van wielerwedstrijden, concours hippique en voetbalwedstrijden en dergelijke. Een van de oprichters was E.A.F.M. de Bruijne, directeur van de Tramweg- Maatschappij Breda-Mastbosch. De Bruijne zal de wielerbaan aanvankelijk op persoonlijke titel geëxploiteerd hebben, zoals ook het geval was met zijn tramwegmaatschappij. De N.V. kocht een perceel weiland ten oosten van de Boulevard van de landbouwer Adriaan Wagemakers. Op zondag 5 april 1903 werden de eerste wedstrijden van dat jaar gehouden. Behalve wielerwedstrijden werden er ook motorraces gehouden. Hier konden de Bredase gebroeders Otten met hun zelf vervaardigde motoren triomfen vieren (218L Maar het daarop volgende jaar ging het mis. In juli 1904 werden vier aandelen van honderd gulden van de N.V. Sportterrein Breda verkocht voor f4,-. In oktober was de wielerbaan failliet. Het middenterrein bleef voorlopig nog in gebruik door de Bredase voetbalvereniging NOAD. Op 16 december 1904, omstreeks 10 uur 's avonds, ontdekte een conducteur van de Boulevard-tram een brandje bij de tribune!221). De volgende tram zat al vol belangstellenden en de daarop volgende was boordevol. De lucht kleurde angstwekkend rood en een onafgebroken regen van vonken kondigde de ondergang van de onderneming aan. De Ginnekense brandweer deed haar best, maar kon niets meer uitrichten. Toevallig was een muziekkorps aan het repeteren in de Gouden Leeuw aan de Ginnekenweg. De muzikanten liepen de tuin in aan de achterzijde en terwijl de fiere tribune in elkaar stortte, speelden zij de treurmars van Chopin. Na het faillisement van de N.V. kwam het perceel uiteindelijk in handen van de bouwondernemer Segeren, die op deze plaats de Burgemeester Passtoorsstraat aanlegde.
De ijsbaan
Behalve deze twee, voor deze tijd grote sportterreinen, waren er aan de Boulevard nog meer terreinen te vinden. Zo werd er bijvoorbeeld in 1900 een Lawn-Tennis-Terrein te huur aangeboden bij Hotel Dennenoord. De Vereeniging Ijsvermaak, opgericht in 1885, had haar ijsbaan aanvankelijk in de Belcrum. Van 1903 tot 1907 bevond de ijsbaan van de vereniging zich echter in Boeimeer, vlak bij de Baronielaan, gehuurd van particulieren. Vanaf 1907 tot op heden bevindt de Ijsbaan zich bij Bouvigne.
DE ANNEXATIEPOGING VAN 1899
De aanleg van de nieuwe Boulevard was het initiatief van een particuliere maatschappij, niet van het gemeentebestuur van Breda. Nadat de weg was aangelegd ontwikkelde het gemeentebestuur echter meteen initiatieven om de nieuwe stadswijk binnen de gemeentegrenzen te brengen. Als dit niet zou gebeuren, zou op den duur een groot deel van de stedelijke bebouwing buiten de grens van de gemeente vallen en zou het gemeentebestuur hier geen enkele invloed meer op kunnen uitoefenen. Het grondgebied van de gemeente Breda strekte zich uit tot nauwelijks buiten de Singelgracht. Ginneken en Princenhage vormden zelfstandige gemeenten, maar het grootste probleem werd gevormd door Teteringen. Deze gemeente had de vorm van een lange slurf en omvatte mede de Zandberg met een gedeelte van de Ginnekenweg. Reeds eerder, in 1869 had de stad een poging gedaan, naar aanleiding van de slechting van de vestingwerken, de gemeentegrenzen te verwijden. Dit eerste voorstel hield in dat de Zandberg en de Belcrum geannexeerd zouden worden. Nadat deze poging mislukt was, begon de ontwikkeling van de Zandberg pas goed en rond 1890 was de gehele Ginnekenweg volgebouwd. Toen de nieuwe Boulevard werd aangelegd, bleek deze in drie verschillende gemeenten te liggen. Het eerste gedeelte, van dc Wilhelminastraat tot aan de rivier de Mark, viel onder de gemeente Teteringen. Een klein gedeelte, van de Mark tot aan de huidige Burgemeester Passtoorsstraat, viel onder de gemeente Princenhage. En het overige gedeelte, tot aan het bos, was onderdeel van de gemeente Ginneken. De huidige Burgemeester Kerstenslaan en de Willem van Oranjelaan vielen weer onder de gemeente Princenhage.
De grenswijziging
In 1899 zette de gemeente Breda een procedure in gang voor een grenswijziging. Net als in het eerste voorstel zouden de Zandberg en de Belcrum moeten worden geannexeerd. Bovendien werd de gemeentegrens aan alle kanten ongeveer gelijkmatig uitgelegd. Aan één zijde vormde de nieuwe gemeentegrens een uitstulping om de nieuwe Boulevard binnen de gemeente te kunnen brengen. Aan dit plan lag geen ontworpen uitbreidingsplan ten grondslag. De gemeente Breda volgde de bestaande ontwikkelingen. Op de kaart is te zien, hoe krap de nieuwe grenzen genomen zijn. Als dit voorstel aanvaard zou zijn, zou de stad binnen de kortst mogelijke tijd weer in moeilijkheden gekomen zijn.
Een vaak stille gemeente
Tegen het voorstel van het gemeentebestuur van Breda rees van verschillende kanten bezwaar. Sommigen vonden het voorstel te ver gaan, maar anderen ging het juist weer niet ver genoeg. Het Bredase raadslid Witsenborg pleitte er in 1899 voor de gehele bebouwde kom van Ginneken binnen de Bredase grenzen te trekken en overigens aan alle zijden de grenzen wat ruimer te nemen om voldoende ruimte te creëren voor fabrieken en werkmanswoningen. De Hoofdingenieur van Provinciale Waterstaat bracht op 10 mei 1901 aan Gedeputeerde Staten een advies uit in dezelfde zin. De meest gewenste toestand was volgens hem dat een bebouwde kom met langs alle zijden een ruime strook open terrein één gemeente uitmaakte. Over bezwaren van historische en persoonlijke aard moest men heenstappen. Daarom moest volgens hem Ginneken toegevoegd worden aan Breda. Anderen verzetten zich juist tegen de annexatie. Ook wij bezitten een landelijke bevolking, aldus het gemeentebestuur van Ginneken in een brief aan Gedeputeerde Staten van 28 april 1900, die, wars van stadsgewoel in onze rustige en vaak stille gemeente het genot van natuurschoon en van gezonde lucht komt zoeken. De aanstaande bewoners van het uiteinde der nieuwe Boulevard zullen merendeels zijn, wat het grootste gedeelte van onze meer gegoede bevolking thans ook is: bejaarden, gepensioneerden, zwakke lieden die rust ongezonde lucht zoeken, allen personen die van een beperkt inkomen moeten leven en die stellig zullen verkiezen de zeer geringe gemeentelasten van Ginnneken. Ook de gemeenten Teteringen en Princenhage verzetten zich hevig.
Ginneken wil uitbreiding
De gemeente Ginneken had een ander voorstel. De Boulevard zou in tweeën verdeeld kunnen worden, een Bredaas en een Ginnekens deel. Op zich was dit niet onrealistisch. De gemeente Breda zou het centrum omvatten van het verstedelijkt gebied met de fabrieken en een gedeelte van de betere woonwijken. Ginneken zou zich verder kunnen ontwikkelen als villadorp, zo ongeveer als Vught ten opzichte van Den Bosch. In de vergadering van de Ginnekense gemeenteraad van 21 oktober 1899 stelde de voorzitter Baron van der Borch een nieuwe grensregeling voor, om dat hem ter ore was gekomen dat Breda de gehele Boulevard aan zich wilde trekken. Er werd een verzoekschrift met een kaart verzonden aan Gedeputeerde Staten. Ginneken wilde de grenzen uitbreiden tot en met de huidige Grazendonkstraat en de grens achter de Boulevard en Hotel Mastbosch om trekken. Gedeputeerde Staten konden zich wel vinden in dit voorstel. In 1901 polste het college het gemeentebestuur van Breda. Dit was het er helemaal niet mee eens. De Boulevard vormde één geheel en het zou volgens het Bredase gemeentebestuur niet logisch zijn dat deze weg in twee gemeenten zou komen te liggen. Het plan heeft geen vervolg gehad. Zelfs vanuit de Bredase gemeenteraad was er tegenstand tegen het voorstel. Wethouder Rombouts was bang dat de annexatie alleen maar geld zou kosten. Door de grotere uitgaven zouden de belastingen moeten worden verhoogd. Volgens hem kon men zich beter spiegelen aan het voorbeeld van Brussel, waar de voorsteden zelfstandig bleven en waar de lasten in de stad zelf veel lager waren. Hij pleitte voor alleen enkele grenscorrecties.
De nieuwe grensregeling uitgesteld
In 1905 wees Minister van Binnenlandse Zaken Kuijper het voorstel af en daarmee was een nieuwe grensregeling voorlopig van de baan. Pas in 1927 zou het tot een daadwerkelijk ingrijpen komen.
VILLA-ONTWIKKELING ROND HET MASTBOS
De Baronielaan is aangelegd als kortere verbinding tussen Breda en het Mastbos. Het bos zou dan ook de invloed ondervinden van de oprukkende stedelijke bebouwing. "Hè, Moes, een eindje verder bij de poëtenbank is zoo'n leuk plekje met uitzicht op de hei; laten we daarheen gaan," stelde Tine voor. Moes, tante Bets en Tine wandelden in 't Mastbosch. (...) Met hangmattengewapend was de familie er op uitgetogen, ieder met een mooi boek bij zich. (...) 't Was nog stil en rustig in 't bosch. Nog was het de tijd niet, dat er in het voorste gedeelte van het bosch, tegenover het hotel, haast bomen te weinig waren voor alle hangmatten. Zo treft Jo Ufkes de sfeer in het bos in het begin van deze eeuw in haar meisjesboek Een vrolijke Frans
Slingerpaden
Van 1890 tot 1899 was houtvester A.J. van Schermbeek door het domeinbestuur belast met het beheer van de bossen rond Breda. Van Schermbeek heeft met zijn moderne ideeën over bosbeheer grote invloed gehad op het Mastbos. In 1898 pleitte hij in zijn lezing 'Over Boschcultuur' onder andere voor het aanleggen van lieve paden ten behoeve van het vreemdelingenverkeer. Tijdens zijn beheer zijn er inderdaad veel wandelpaden aangelegd in het Mastbos. Het Kroningspad is een van de meest bekende. Het werd aangelegd in 1898 en in datzelfde jaar werd hier de Wilhelmina-eik geplant. Ook het Nepveupad moet uit deze tijd dateren. Nadat Van Schermbeek Breda verlaten had, werden in 1909 nog het Julianapad en het Princesselaantje aangelegd.
De Boswachter
In de boswachterswoning in het Mastbos was vanouds gelegenheid verversingen te gebruiken. De boswachter vulde op deze manier zijn inkomen aan. In 1890 werd de bouw van een nieuwe boswachterswoning aanbesteed, het gebouw dat nu nog steeds bekend is als Restaurant De Boswachter. De auteurs van de gids Breda en Omstreken in Woord en Beeld uit 1897 waren het daar niet mee eens. De eenvoudige boerenwoning, dit fraaie gedeelte van het Mastbosch Ranselt niet ontsierend, is seedert eenige jaren verdwenen, zeggen zij. In de tweede druk van deze gids wordt het gebouwtje aangeduid als een Zwitsers huisje In 1899 werd de boswachterswoning in het Mastbos verhuurd aan de voormalige, bejaarde boswachter om deze verder uit te baten. Intussen werd verderop aan de Bouvignedreef voor de nieuwe boswachter een veel eenvoudigere woning gebouwd
Villa's
Aan de huidige Burgemeester Kerstenslaan werden al vanaf 1898 villa's gebouwd. Binnen enkele jaren stond hier een aaneengesloten rij: 'Villa Salatiga', 'Villa Zorgvliet', Pension 'Tandem' (het huidige 'White House'), 'Villa A.V.O.' en Hotel Mastbosch. De Houtvesterij Breda van Staatsbosbeheer bezat naast Hotel Mastbosch nog een reep dennenbos. Voor de exploitatie van het bos had dit stukje blijkbaar weinig waarde en Staatsbosbeheer besloot in 1907 het stukje te verkopen. In de advertentie in de krant wordt dit dennenbosje aangeduid als 3 kavels zeer gunstig gelegen bouwterrein (...) aan den Straatweg van Ginneken naar Princenhage nabij het Hotel Mastbosch en de tramlijn Mastbosch-Station Breda. Op de kavels mochten alleen maar villa's gebouwd worden. In 1911 bouwde J.P. van Rossum, directeur van de Algemene Suikermaatschappij, hier 'Villa Dennenhorst', het huidige pand Burgemeester de Manlaan 2. Pas in 1922 werden de plannen gemaakt voor de aanleg van het Montenspark. In 1923 werden hier de eerste kavels bouwterrein geveild.
DE BARONIELAANKWESTIE
Op 5 juli 1905 maakten de Raad van Commissarissen en de directie van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij bekend, dat zij ter gelegenheid van de onthulling van het Baroniemonument in het Valkenberg op 3 juli besloten had de Boulevard de naam te geven van Baronielaan en het rondpoint de naam van Engelbert van Nassauplein. Door de maatschappij werden ter plaatse nieuwe naamborden aangebracht.
Het Baroniemonument
Het initiatief tot het stichten van het Baroniemonument werd genomen in 1904. Op 24 augustus 1404 deden graaf Engelbrecht van Nassau en Johanna van Polanen hun plechtige intocht in de stad Breda en werden zij gehuldigd als baanderheer en- vrouwe. Hiermee had het geslacht Nassau, waartoe ook koningin Wilhelmina behoorde, zich vaste voet verworven in de Nederlanden. De onthulling van het monument in het Valkenberg vond plaats op 3 juli 1905 door de 'Koninklijke Hand' van Wilhelmina, in aanwezigheid van prins Hendrik. Men zag graag een innig verband tussen Breda en het koningshuis. Is Oranje één met Nederland, langduriger en sterker nog is die band met Breda, de schoonste parel aan hunne kroon, de bakermat van ons Koningshuis. Ook de bevordering van het toerisme speelde echter een rol. Een passend monument zal ook in niet geringe mate de aantrekkelijkheid van onze goede stad bevorderen, aldus het comité. De plaatsing van een fraai monumentaal gedenkteken op eene zoo uitgezóchte plaats, waar vreemdelingen en stadgenooten dadelijks passeeren (moet) wel krachtig medewerken tot verfraaiing en bevordering van het vreemdelingenverkeer. Een ander motief dat genoemd kan worden, is de annexatiekwestie die in 1904 nog volop speelde. Voor Breda was het in dit verband van groot belang zich te profileren als de hoofdstad van de Baronie.
De gemeente Breda koopt de Baronielaan
Nadat de annexatiepoging was mislukt, ging het gemeentebestuur van Breda in 1908 onderhandelen met de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij over overname van de weg. Als de Baronielaan eigendom zou zijn van de gemeente Breda, had het gemeentebestuur de mogelijkheid de ontwikkelingen aan de zuidzijde van Breda te sturen. Dat onze gemeente voor een niet gering deel haar groei en bloei dankt aan de nabijheid van het Mastbosch, dat langs den kortste en fraaisten weg bereikt wordt over de hierin bedoelden weg en dat het dus van overwegend belang voor haar is om de volle beschikking te hebben over dien weg, welke aansluit aan denne grooten verkeersweg, de hartader dezer stad, aldus het raadsbesluit.De bouw grondmaatschappij had hier wel oren naar. Een groot deel van de bouwgrond was al verkocht. De weg was al een aantal jaren oud en zou op een gegeven moment veel geld gaan kosten aan onderhoud. Op 31 maart 1909 droeg de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij de Baronielaan over aan de gemeente Breda voor f25.000. Blijkbaar had de bouwgrondmaatschappij nog plannen voor het aanleggen van nieuwe straten, want de maatschappij bedong het recht om over haar onverkochte terreinen wegen te mogen aanleggen en aan te sluiten op de Baronielaan
Een stroman
De gemeentebesturen van Princenhage, Teteringen en Ginneken gingen echter
onmiddellijk tegen
het Bredase raadsbesluit in beroep en met succes. Op 4 augustus 1909 tekende de koningin het
Koninklijk Besluit waarbij het besluit van de gemeenteraad van Breda en het besluit van Gedeputeerde
Staten dat dat weer goedkeurde, werden vernietigd. Ondertussen had de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij
de weg al aan de gemeente verkocht en Soeter was niet van plan de weg weer terug te nemen. In oktober
informeerde de Minister van Binnenlandse Zaken hoe het zat met de uitvoering van het Koninklijk
Besluit. Hij suggereerde de weg dan maar te verkopen aan de gemeenten Princenhage, Teteringen en
Ginneken.
Om uit deze impasse te komen adviseerde de gemeente-advocaat Mr. J.A. Loeff de Baronielaan over te
dragen aan een stroman. Op 21 mei 1910 besloot de gemeenteraad daarom de Baronielaan te verkopen aan
het raadslid J.M. Ingen Housz.
De gemeente Breda bleef echter de Baronielaan onderhouden in opdracht van de eigenaar. Ingen Housz
was van 1908 tot 1915 lid van de Bredase gemeenteraad. In december 1917 verhuisde hij naar de
Baronielaan, naar het zeer grote herenhuis op nummer 18. In oktober 1917 bood hij de Baronielaan
ten geschenke aan aan de gemeente Breda.
De gemeenten Ginneken, Princenhage en Teteringen gingen opnieuw in beroep, maar dit keer zag de
regering geen termen aanwezig tot schorsing van het raadsbesluit.
De reconstructie van de Wilhelminabrug
Na de overname van de Baronielaan was de eerste stap de reconstructie van de
Wilhelminabrug.
Door de ontwikkeling van Ginneken en de Ginnekenweg en de aanleg van de Baronielaan was het verkeer
van noord naar zuid sterk toegenomen. Dit verkeer kon echter maar gebruik maken van één verbinding,
namelijk die via de Ginnekenstraat, de Nieuwe Ginnekenstraat en de Wilhelminastraat. In 1910 al werd in
de gemeenteraad opgemerkt dat de Ginnekenbrug, de huidige Wilhelminabrug, te smal was en ongeschikt
voor het zeer drukke verkeer. Het was echter te voorzien dat aan deze brug in de naaste toekomst,
in verband met de oplossing van het tram vraagstuk, nog zwaardere eisen zouden worden gesteld. Het
gemeentebestuur was daarom niet van plan kosten van enige betekenis te maken.
Het zou echter niet lang duren voordat er verbetering kwam in de situatie. Reeds in 1912 werd de
verbreding van de Ginnekenbrug aanbesteed. De landhoofden van de oude brug bleven gehandhaafd, maar er
werd een nieuw en breder betonnen brugdek overheen gelegd. Het werk werd aangenomen door de N.V.
Industriële Maaatschappij F.J. Stulemeijer en Co. te Breda.
De brugleuningen waren vervaardigd van smeedwerk, geleverd door de Gebroeders Vincent te Schiedam
Elektrische trams hebben er echter nooit overheen gereden.
Klinkerbestrating
De toestand van de Baronielaan was ondertussen zeer slecht. De grintlaag
was erg dun
en de puinlaag kwam hier en daar al tevoorschijn. De gemeente besloot daarom in 1923 de bestaande
verharding in gedeelten te vervangen door een klinkerbestrating. De kosten hiervan moesten
worden opgebracht uit de grondrenten. Binnen enkele jaren zou de gehele laan zijn bestraat, zonder
dat de gemeente hiervoor geld moest voorschieten. De problemen hielden hiermee niet op. In 1923
bleek dat de bomen te dicht bij elkaar stonden en de goten omhoog duwden, waardoor de afwatering
onvoldoende was. In 1927 werd de Baronielaan echter geannexeerd. Daarmee kwam een einde aan de
bijzondere positie van de laan en werd zij een gewone openbare weg.
De tram kwestie
In de raadsvergadering van 5 april 1913 werd de concessie van de paardentram Breda-Mastbosch verlengd tot 1920. Op 26 juli 1913 werd de concessie verlengd van de Ginnekensche Tramweg-Maatschappij en op 8 november die van de paardentram Grote Markt-Haagpoort van de ZNSM. Een van de voorwaarden voor de verlenging van de concessie van de Mast- boschtram was dat de BM bij het eindigen van de concessie de tramremise aan de Baronielaan tegen een vergoeding aan de gemeente Breda over zou dragen. In dezelfde raadsvergadering werd besloten van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij een terrein ten noorden van de tramremise aan te kopen dat via twee stukjes bouwgrond in verbinding stond met de Baronielaan. Voor de bouwterreinen aan de Baronielaan moest de gemeente de volle prijs betalen, maar het achterterrein was blijkbaar niet zo veel waard. De bedoeling van de gemeente was blijkbaar dat de exploitatie van alle trams in Breda in één hand zou komen en dat daarna de tram zou worden geëlektrificeerd. Het terrein aan de Baronielaan zou dan kunnen dienen voor de bouw van een grote remise. Nergens blijkt of men een gemeentetram voor ogen had of dat een particuliere maatschapppij de exploitatie zou moeten verzorgen. De concessies werden in feite verlengd om een definitieve oplossing uit te stellen. De provincie Noord-Brabant had in 1913 plannen een elektrische centrale op te richten, maar deze plannen waren nog niet rond Vóórdat de concessies van de BM, de GTM en de ZNSM waren verlopen was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken. De situatie zou hiermee drastisch veranderen.
EEN MINIATUUR-BARONIELAAN:
DE BURGEMEESTER PASSTOORSSTRAAT
Bijna aan het einde van de Baronielaan buigt aan de linkerkant de Burgemeester Passtoorsstraat afin de richting van de rivier de Mark. In alles komt de straat overeen met de Baronielaan: de hoekpanden zijn voorzien van hoektorentjes, de huizen hebben dezelfde architectuur als die aan de Baronielaan en ze hebben voortuintjes met ijzeren hekjes. Alleen is alles een maatje kleiner: de straat is 16 meter breed en ook de huizen zijn minder hoog. Reeds in 1899 werd door het kerkbestuur van Ginneken voorzien dat dit tweede gedeelte van den Boulevard nog een maal door eene zijstraat, van de Schoolstraat (huidige Dillenburgstraat) uitgaande, met de kom der gemeente Ginneken zal verbonden worden. Ook in 1909 had de Bredasche Bouwgrond- Maatschappij blijkbaar plannen om te zijner tijd zijwegen aan te leggen die uit moesten komen op de Baronielaan. Toen de maatschappij de Baronielaan verkocht aan de gemeente Breda werd in de koopakte uitdrukkelijk gesteld dat de maatschappij het recht had over hare thans nog onverkochte terreinen wegen (te) doen aanleggen

De aanleg van de Werfstraat en de Dennenlaan
Ten noorden van de huidige Duivelsbruglaan bevond zich een klein gedeelte van het Mastbos. Deze grond werd namens de Staat der Nederlanden door de rentmeester der Domeinen in het rentambt Breda op een openbare veiling op 5 maart en 19 maart 1903 in 14 kavels verkocht. Tevoren waren door de Domeinen de Dennenlaan (de huidige Teychinélaan) en de Werfstraat aangelegd. De ophoging en het onderhoud van de twee nieuwe straten was ten laste van de kopers van de kavels. Die voelden zich natuurlijk niet geroepen daar veel werk van te maken. Op 17 augustus 1917 verkocht de Staat der Nederlanden de Boschlaan, de Werfstraat en de huidige Teychinélaan aan de gemeente Ginneken. Ook werd een reep grond gelegen tussen deze twee straten, de ondergrond van de latere Cartier van Disselstraat overgedragen. In 1918 werd de Dennenlaan door de gemeente Ginneken geheel verbeterd
Bouwplan 1910
In 1901 werd de Woningwet aangenomen die gemeenten de bevoegdheid en in bepaalde gevallen zelfs de verplichting gaf Uitbreidingsplannen vast te stellen en grond te onteigenen voor stadsuitleg. Het op 12 maart 1910 door de gemeenteraad van Ginneken vastgestelde plan omvatte onder andere een straat die ongeveer samenviel met de huidige Koningin Emmalaan In het verlengde hiervan zou een nieuwe brug over de rivier de Mark worden gebouwd en de rivier zou gedeeltelijk worden verlegd. Aan de westzijde van de brug zou de straat zich als een vork in tweeën splitsen om dan ter plaatse van de huidige Burgemeester Passtoorsstraat en de Cartier van Disselstraat op de Baronielaan uit te komen. Volgens de bijbehorende kaart zouden langs de straten bomen worden geplant en zouden de huizen voortuintjes krijgen die even diep waren als die aan de Baronielaan. De reeds bestaande Dennenlaan en Werfstraat werden opgenomen in het plan.
Bernheim Frères et Fils te Parijs
Nadat het plan van de gemeente Ginneken was goedgekeurd door Gedeputeerde Staten, ging de Bredase Bouwgrond- Maatschappij hiertegen in beroep. In mei 1911 werd het beroep afgewezen (2S?). Drie maanden later vinden we in het Dagblad van Noord-Brabant echter al een berichtje dat er een maatschappij was gevormd die de nieuwe straat zou gaan aanleggen. De maatschappij zou al de huizen van de heer Jacobs, koperslager, en van bakker Van Hamel gekocht hebben om een brede toegangsweg tot de nieuwe laan te verkrijgen. Achter dit initiatief zal de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij gezeten hebben. Op 28 juni 1912 schreef directeur Soeter aan de burgemeester van Ginneken dat hij overleg pleegde met Nieraad over het plan. Nieraad stuurde Soeter een schetsje hoe hij zich de weg voorstelde: 16 meter breed met bomen aan weerszijden en huizen met voortuintjes met ijzeren hekjes. De rijweg zou uitgevoerd worden in grind of als Macadamweg. Soeter vroeg het waterschap van de Boven-Mark om toestemming de loop van de Mark te verleggen en een brug te bouwen. In november deelde Soeter aan de burgemeester mee dat hij verschillende personen benaderd had, die eigendommen hadden tussen de Ginnekenweg en de Baronielaan. De prijzen die zij vroegen waren echter veel te hoog en Soeter wou de zaak maar laten rusten. De gemeente Ginneken onderzocht nu of het mogelijk was Soeter door middel van de Onteigeningswet aan grond te helpen, maar na adviezen zag de gemeente hier in 1913 van af. Onteigening was alleen mogelijk ten algemene nutte. Grond kon niet onteigend worden ten gunste van een particuliere ondernemer. De gemeente Ginneken trad nu in 1913 nog in contact met de maatschappij Bernheim Frères et Fils te Parijs, vertegenwoordigd door de heer I. Alexandre te Brussel. Waarschijnlijk is dit contact ook weer via Soeter gelegd. Bernheim exploiteerde gronden in Luik (gedeeltelijk villaparken) en in Tilff, niet ver van Luik, aan de Ourthe. Verder had de maatschappij gronden in eigendom in diverse voorsteden van Brussel, zoals Schaarbeek, Boitsfort (Bosvoorde) en Woluwe St. Pierre (Sint Pieters Woluwe).In 1914 werd voor de aanleg van de weg en de bouw van de brug een bestek en begroting opgemaakt door J. Sluis, opzichter van de Provinciale Waterstaat te Breda. Hij maakte ook een ontwerp voor een vaste brug over de rivier de Mark. De laatste brief van de firma Bernheim aan de gemeente Ginneken is gedateerd 28 juni 1914 Op 4 augustus 1914 raakte België betrokken in de Eerste Wereldoorlog en daarmee was dit plan van de baan.
De bouw ondernemer Johannes Segeren Czn.
Ondertussen was een andere partij druk bezig aan de zijde van de Baronielaan de
weg
inderdaad aan te leggen. Op 23 maart 1911 verkocht de landbouwer Jacobus Johannes Mathijsen een stuk
grond ten
oosten van de Baronielaan bij de voormalige Wielerbaan aan de bouwondernemer Johannes Segeren
Corneliszoon
Op 9 mei verkocht de Ginnekense wethouder Jacobus Franciscus Maassen een perceel hooiland aan Segeren,
ten
noorden van het perceel van Mathijsen.
Op het kaartje van de Baronielaan in het adresboekje van 1912 staat de huidige Burgemeester
Passtoorsstraat al
aangeduid als 'Nieuwe Straat'. De straat staat echter nog aangegeven met stippellijntjes, wat erop duidt
dat
hij nog in aanleg was. Op 3 maart 1913 verkocht de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij vier percelen
bouwterrein
aan de noordzijde van de huidige Burgemeester Passtoorsstraat aan Segeren. De normale grondrente van f
1,25
per strekkende meter werd gevestigd voor elke meter die het perceel zou innemen aan de zijweg van de
Baronielaan, voor zover die weg eigendom was van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij. Verder golden hier
de
normale verkoopvoorwaarden van de bouwgrondmaatschappij. Al op 13 april 1913 verkocht de
bouwgrondmaatschappij
de ondergrond van de straat eveneens aan Segeren. In 1915 verkocht Mathijsen nogmaals een perceel. De
erfdienstbaarheden die gelden voor de percelen aan de Baronielaan gelden dus maar voor een zeer klein
gedeelte
van de Burgemeester Passtoorsstraat.
Twee hoektorentjes
De bouwondernemer had nu een aaneensluitend gedeelte van de ondergrond van de
nieuw
ontworpen straat in handen en kon gaan bouwen. Uit alles blijkt dat de straat bedoeld was als een
belangrijke
zijstraat in de richting van Ginneken, veel belangrijker dan de huidige Cartier van Disselstraat. De
nieuwe
straat werd aan de ingang voorzien van twee hoektorentjes, het laatste paar in een serie die begint op
het Van
Coothplein en via de Wilheminastraat en de Baronielaan naar het zuiden loopt.
Het hoekpand aan de zuidzijde is gebouwd in 1911 of 1912.
Het vierkantje hoektorentje was oorspronkelijk hoger en voorzien van pinakels. Het hoekpand aan de
noordzijde
is door Segeren gebouwd in 1914 of 1915. Ook dit ronde hoektorentje was oorsprokelijk hoger en voorzien
van een spits met een windwijzer. Burgemeester Passtoorsstraat nummer 2 is het oudste pand in de straat
zelf:
het is gebouwd in 1911 of 1912. In 1914 woonde Segeren zelf in dit pand.
In 1913 diende Segeren een ontwerp in voor drie dubbele villa's: Villa Cornelia, Villa Bernadet en Villa
Bastiana'. Alleen Villa Cornelia werd inderdaad gebouwd, het huidige nummer 1-3.
Segeren besloot daarop de rest van de straat vol te bouwen met aaneengesloten panden. Deze volgen de
kromming
van de straat door middel van een zaagtandverkaveling. In 1917 omvatte de straat twaalf panden.
Op 16 juni 1914 vroeg Segeren aan de burgemeester en wethouders van Breda toestemming de trottoirbanden
van de
Baronielaan voor zijn nieuwe straat weg te mogen nemen,. Het briefje is gesteld in verschrikkelijk
Nederlands, maar, zoals Segeren zelf schrijft, hij had een hekel aan dat courante geschrijf.
De Prinses Julianalaan
De Baronielaan was dan verhard met macadam en voorzien van gas, water en
straatverlichting,
de bewoners van de toekomstige Burgemeester Passtoorsstraat moesten nog lang op deze voorzieningen
wachten. Nog
in 1922 was de straat niet verhard.
Met slecht weer geleek de straat een modderpoel. Er was geen straatverlichting zodat de bewoners de
grootste moeite hadden 's nachts droogvoets hun woningen te bereiken. Een typische suburbane
levenssfeer! De
huizen werden door de gemeente Ginneken voorlopig doorgenummerd aan de Baronielaan en in het adresboekje
komen
ze ook onder die straatnaam voor. Enkele huizen bezitten nog hun oude huis-nummerbordjes. Nummer 12 was
voorheen Baronielaan 84F en nummer 14 was 84G. In het register van verpachte zitplaatsen van de Heilig
Hartkerk
komt de straat in 1918 al voor onder de naam Julianalaan. In een lidmatenboek van de Hervormde gemeente
van Ginneken uit diezelfde tijd komt de naam Prinses Julianalaan voor. Ook in de kadastrale leggers
vinden
we bij
de eigendommen van Segeren de naam Prinses Julianalaan. De straatnaam moet gegeven zijn door Segeren,
alvast
vooruitlopend op de aansluiting met de Prinses Julianastraat, de huidige Dillenburgstraat. Op 24 juli
1919
besloot de gemeenteraad van Ginneken de straat echter de Willem Passtoorsstraat te noemen, omdat tijdens
zijn
burgemeesterschap het plan voor deze straat gemaakt was. Pas in 1923 is de straatnaam Burgemeester
Passtoorsstraat werkelijk ingevoerd.
Burgemeester Passtoors
W.C.J. Passtoors leefde van 1856 tot 1916 en was burgemeester van Ginneken vanaf
1908. In
1888 richtte hij de R.K. Volksbond op, een organisatie van katholieke arbeiders en middenstanders. Van
1901 tot
1913 was hij lid van de Tweede Kamer.
De Modderpoelstraat
Nadat het door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog onmogelijk was geworden
voor
Bernheim Frères et Fils de nieuwe weg aan te leggen stelde Segeren voor dat hij de uitvoering van het
plan op
zich zou nemen. Hij zou op zijn kosten de huidige Koningin Emmalaan, Burgemeester Passtoorsstraat en
Cartier van Disselstraat aanleggen én de brug over de Mark bouwen, op voorwaarde dat hij van de gemeente
Ginneken enkele aangrenzende percelen bouwterrein in eigendom zou verkrijgen. De gemeente Ginneken ging
op deze
uitnodiging in.
In 1916 verzocht de gemeente Ginneken de gemeente Breda een uitweg te mogen maken voor de reeds
bestaande
Burgemeester Passtoorsstraat en voor de nog aan te leggen Cartier van Disselstraat. Op 24 juni 1919
besloot de Ginnekense gemeenteraad nog een aantal gronden aan te kopen om de aanleg van het stratenplan
eindelijk mogelijk te
maken. In 1920 verkocht de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij een stuk grond aan de Baronielaan aan
Segeren ter plaatse van de huidige Cartier van Disselstraat l.
In datzelfde jaar bouwde Segeren de beide hoekpanden van deze straat. In 1921 bouwde hij de
panden aan de zuidzijde van de Cartier van Disselstraat tussen de Baronielaan en de Teijchinélaan.
Deze zeven panden zijn nog gebouwd op de rooilijn die in 1910 vastgesteld was. De architectuur hiervan,
met
hun witte banden en boogjes boven de ramen, zou eigenlijk doen vermoeden dat ze al vóór de Eerste
Wereldoorlog gebouwd zijn. In 1921 verkocht Segeren de ondergrond van de straten die hij aangelegd had
aan
de gemeente Ginneken en in ruil daarvoor kreeg hij een perceel bouwterrein. In 1922 werd de
Burgemeester Passtoorsstraat eindelijk gerioleerd en bestraat. In 1924 sloten de gemeenten Breda en
Ginneken een overeenkomst voor de levering van gas. In hetzelfde jaar werden gasleidingen gelegd in de
straten ten westen van de rivier de Mark en werden hier straatlantaarns geplaatst.
Het plan voltooid
In 1923 werd de aanleg van de Emmalaan, de Burgemeester Passtoorsstraat en de
Chasséestraat
(huidige Cartier van Disselstraat) door de gemeente Ginneken aanbesteed. Het plan zoals het uiteindelijk
is
gerealiseerd wijkt af van het oorspronkelijke plan. In plaats van de Burgemeester Passtoorsstraat werd
nu de
Cartier van Dissselstraat de belangrijkste ontsluitingsweg. De rooilijn van deze straat werd bovendien
gewijzigd, zodat er in deze laatste straat een duidelijke knik zit.
In 1924 werd het werk opgeleverd, inclusief de verlegging van de rivier de Mark en de bouw van de brug.
In
december van dat jaar kregen de straten hun naam. De reeds bestaande gedeelten van de Burgemeester
Passtoorsstraat en de Dennenlaan werden eveneens in 1924 verhard en gerioleerd. In 1925 verkocht de
gemeente
Ginneken nog bouwterreinen aan de Burgemeester Passtoorsstraat en de huidige Cartier van Disselstraat
aan de
bouwondernemer Johannes Marinus Segeren, de zoon van de eerder genoemde Segeren
DE BARONIELAAN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG TOT NU TOE
De Eerste Wereldoorlog zou de maatschappelijke verhoudingen grondig veranderen. Maar niet alleen dat, ook de visie op de planologie zou veranderen. Het belangrijkste instrument hiervoor was de Woningwet van 1901. Stadsuitbreiding zou voortaan geen zaak meer zijn van particulier initiatief. De wet schreef voor dat gemeenten met meer dan tienduizend inwoners over een Uitbreidingsplan dienden te beschikken. De gemeente kreeg nu ook allerlei middelen in handen om rooilijnen uit te zetten, grond te onteigenen enzovoorts. In Breda werd een Uitbreidingsplan vastgesteld in 1906. Dit plan beperkte zich uiteraard tot het gebied binnen de gemeentegrenzen zodat de Baronielaan er buiten viel. In 1910 stelde Ginneken het Uitbreidingsplan vast volgens hetwelk de Burgemeester Passtoorsstraat aangelegd zou worden en in 1913 stelden de gemeenten Teteringen, Ginneken en Princenhage gezamenlijk een Uitbreidingsplan vast, dat ontworpen was door de Utrechtse architect Ebbers. Volgens dit plan zou onder andere een 16-meter brede straat aangelegd moeten worden ter plaatse van de huidige Okeghemlaan. Van al deze plannen van de randgemeenten kwam weinig terecht, behalve de aanleg van de Burgemeester Passtoorsstraat. De belangrijkste veranderingen zouden pas komen na de annexatie van 1927.
De Gemeentetram Breda
In 1913 waren de concessies van de Ginnekensche Tramweg-Maatschappij en de
Tramweg-Maatschappij Breda-Mastbosch verlengd tot 1 januari 1920. Door de Eerste Wereldoorlog ging
het vervoer van de beide tramwegmaatschappijen echter sterk achteruit. In 1920 werd de gemeente Breda
eigenaar van de BM, met inbegrip van de remise, terwijl de GTM alleen zijn sporen aan de gemeente kon
verkopen. Op 25 maart 1920 werd de Gemeentetram Breda opgericht, die echter geen lang leven beschoren
was. Gedwongen door de concurrentie van de autobus werd de tram definitief opgeheven op 30 september
1925.
De annexatie
Na een lange voorgeschiedenis was het dan eindelijk zover: In 1927 werd voor de
eerste maal sinds de uitbreiding van Breda de gemeentegrens gewijzigd. De Zandberg, de Baronielaan en
Boeimeer kwamen onder de gemeente Breda. De nieuwe gemeentegrens was door het Rijk echter zo krap
mogelijk genomen. De Burgemeester Passtoorsstraat en de Cartier van Disselstraat bleven onder de
gemeente Ginneken, evenals het Mastbos.
Het Plan-Schaap
In 1923 al werd aan de stedenbouwkundige ir. W. Schaap opdracht gegeven tot het
maken van een gemeenschappelijk Uitbreidingsplan voor de gemeenten Breda, Ginneken, Princenhage en
Teteringen. Schaap ontwierp een stratenplan dat het hele gebied tussen de Baronielaan en de
Ginnekenweg opvulde. Ook de Boeimeer tussen de Baronielaan en het Mastbos werd opgenomen in
Plan-Schaap. Het plan werd vastgesteld in 1929, maar het zou niet binnen enkele jaren worden uitgevoerd.
De Burgemeester Passtoorsstraat en de Emmalaan kwamen gereed in 1924. De Leistraat werd
aangelegd in 1930. Het stratenplan rond de Willem III-laan en Prins Frederiklaan werd in aanbouw
genomen vanaf 1934.
Nog na de Tweede Wereldoorlog waren er in de buurt van de Zandbergweg en de Kortestraat onbebouwde
terreinen te bespeuren. De Marijke Meustraat werd pas aangelegd in 1957.
Het laatste restant van de weilanden die hier eens lagen, is een grasveld ten oosten van de Baronielaan
en ten noorden van de Graaf Engelbertlaan.
De bebouwing van Boeimeer was met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nog nauwelijks verder gekomen
dan de Julianalaan. Een verbinding met de Baronielaan was nog niet gemaakt. In 1952-1957 werd het gebied
ten noorden van de Graaf
Engelbertlaan volgebouwd en in 1952-1961 het gebied ten zuiden van deze weg. Deze laatste wijk kreeg de
naam Ruitersbos.
De loop van de Okeghemlaan en de Chopinstraat werd vastgesteld in het Uitbreidingsplan Boeimeer 1952
Zuid-Oost
De Zuidelijke Rondweg
De meest ingrijpende verandering echter, ook voor de Baronielaan, was de aanleg
van de
Zuidelijke Rondweg. Deze weg was reeds voorzien in Plan-Schaap. Hij was bedoeld als wegomlegging om
Breda heen
en als verbinding tussen de Rijks wegen naar Roosendaal en Antwerpen en die naar Utrecht en Tilburg. De
autoweg
naar Rotterdam was nog niet ontworpen. Na de Eerste Wereldoorlog begon het particuliere autoverkeer op
te
komen. Amerika was het leidende voorbeeld en de Rijksoverheid spande zich in om ook in Nederland een
netwerk op
te zetten van autoverbindingen. Het autoverkeer stelde overigens vóór de Tweede Wereldoorlog weinig
voor.
Alleen bankiers, directeuren van bedrijven en zeer gefortuneerden konden zich deze luxe permitteren.
Automobielen werden alleen voor woon-werkverkeer gebruikt door bewoners van villa's rond het Mastbos en
het
Liesbos en verder voor reizen en toeristische uitstapjes. Vrachtverkeer over de weg was alleen van
belang voor
de korte afstanden. Het was een concurrent voor de stoomtram, niet voor de spoorwegen of de scheepvaart.
Het
eerste overleg over de aanleg van de Zuidelijke Rondweg vond plaats tussen het Rijk en de gemeente in
1929.
In 1935 werd een overeenkomst gesloten. De gemeente verplichtte zich de grond te kopen die nodig was om
de weg
te kunnen aanleggen en de huizen te slopen die de aanleg in de weg stonden. De gemeente zou de
parallelwegen
aanleggen en het Rijk het middengedeelte, de 'snelverkeerbaan'. Het Rijk zou een en ander vergoeden. De
gemeente
kocht in 1937 diverse panden aan de Baronielaan aan om deze te slopen. De onderhandelingen over de
aankoop
van het Rusthuis "De Mark" bleven het langste aanslepen.
In 1940 waren echter alle panden gesloopt. Ondertussen was in 1938 al de aarden baan aanbesteed van de
nieuwe
weg en was de brug over de Aa of Weerijs in aanbouw.
In 1939 werd het gedeelte tussen de Baronielaan en het
Oranjeplein aangelegd. Door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden de werkzaamheden echter
onderbroken.
De brug over de rivier de Mark was in 1940 al in aanbouw, maar werd pas voltooid in 1947.
De ombouw van de Baronielaan
Toen de Baronielaan in 1927 geannexeerd werd, was de toestand van de weg zonder
meer
slecht te noemen. De klinkerbestrating die aangebracht was in de jaren 1913 en later, was geheel
versleten. De tramrails van de in 1925 opheven paardentram lagen nog in de rijweg. Het belangrijkste
bezwaar
was echter het bestaande profiel van twee rijwegen met daartussen een voetpad met bomen. De directeur
van
openbare werken noemde dit een ongelukkige verdeling van de weg in te smalle trottoirs, te weinig brede
wegen en
een middenpad van onvoldoende afmetingen In 1926 al stelde de directeur voor het profiel daarom geheel
te
veranderen. De Vaillantlaan in Den Haag diende hierbij als voorbeeld.
In 1928 was de ombouw voltooid. De Baronielaan had hiermee zijn huidige profiel verkregen van een brede
weg met
bomen aan weerszijden. Het eerste gedeelte, van de Wilhelminastraat tot het Engelbert van Nassauplein,
werd
beplant met dubbel- bloemige kastanje, het Engelbert van Nassauplein zelf met Christusdoorn, en het
laatste
gedeelte, tot aan het bos, met lindebomen. De Christusdoornen op het Engelbert van Nassauplein moeten
kort
nadien vervangen zijn door kastanjes, die nu een respectabele grootte bereikt hebben.
Ook de straatlantaarns werden vernieuwd, maar de verlichting bleef geschieden door middel van gas.
In 1936 werden de Bebouwingsvoorschriften Baronielaan vastgesteld. Deze komen min of meer overeen met de
erfdienstbaarheden die opgelegd waren door de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij. In 1937 werd een groot
aantal eigenaren van panden aan de Baronielaan door de gemeente aangeschreven om hun voortuinhekken in
orde
te laten brengen en om reclameborden te verwijderen. In 1936 ook werd de Markbrug verbreed. Het
houten brugdek werd vervangen door een plaat van gewapend beton, afgdekt met asfaltplanken. De breedte
van
de brug werd op zeven meter gebracht en die van de trottoirs op twee meter. In 1944 werd de vernieuwde
brug
door de terugtrekkende Duitse troepen vernield. Door de Canadese genie werd daarna een dubbele
Bailey-brug
gelegd. In 1945 werd er bovendien voor de voetgangers een houten hulpbrug naast gelegd. Deze noodbrug
werd
in 1947-1949 vervangen door de huidige brug, die uitgevoerd is in beton, bekleed met metselwerk. Door de
nieuwbouw van deze brug en de bouw van de Frisobrug in de Zuidelijke Rondweg is de overgang van de
Baronielaan over de rivier de Mark tamelijk onopvallend geworden. De muren belemmeren het uitzicht op
het
water en de kruising met de Zuidelijke Rondweg is ruimtelijk veel meer overheersend.
De straatlantaarns hadden veel geleden door de oorlog. Door de schaarste na de oorlog konden ze echter
niet vervangen worden. In 1955 werden er plannen gemaakt de gasverlichting te vervangen door elektrische
verlichting. De lichtmasten die nu nog steeds de Baronielaan verlichten zijn geplaatst in 1958.
De lantaarns hebben een opvallend uiterlijk. Dit model is alleen geplaatst op de Baronielaan en niet
elders
in de stad. Ze zijn eigenlijk meer geschikt voor doorgaande wegen.
Herwaardering
In de loop van haar bestaan heeft de Baronielaan een volledige cyclus doorgemaakt.
Van de
meest
gewilde buurt in Breda zakte zij langzaam af naar het peil van een gemiddelde woonbuurt om na de Tweede
Wereldoorlog regelrecht bedreigd te worden en daarna een enorme herwaardering te beleven.
In 1977 bestonden er plannen om de gehele westzijde van de Baronielaan tussen de Zuidelijke Rondweg en
Trianon
te slopen. Dit was het sein voor enkele bewoners om een Comité "Behoud Baronielaan" op te richten. In
hetzelfde
jaar dreigde zelfs sloop van Trianon. Het enorme terrein dat bij deze villa hoort moest natuurlijk wel
aantrekkelijk zijn voor speculanten.
In 1986 werd inderdaad een aantal huizen op de hoek van de Baronielaan en de Zuidelijke Rondweg
gesloopt, maar
niet zo veel als aanvankelijk de bedoeling was. In 1988 werd de nieuwbouw op deze plaats opgeleverd. De
bouwtrant van de huizen en de kleur van de stenen, alsmede de stedenbouwkundige opzet passen echter niet
helemaal in het concept van de Baronielaan.
In 1985 besloot het bisdom de Heilig Hartparochie per 1 januari 1986 op te heffen en de kerk aan de
Baronielaan
te sluiten.
Dit leidde tot een lange reeks van conflicten met personen en groepen die de kerk wilden behouden. Nu,
meer dan
tien jaar later, staat het gebouw nog steeds overeind. In 1989 kregen de kastanjebomen op het Engelbert
van
Nassauplein een grote onderhoudsbeurt. Ook de overige beplanting is sindsdien onder handen genomen. Er
is steeds
meer oog gekomen voor de Baronielaan als een karakteristiek stuk Breda. De laatste jaren is een groot
aantal
particuliere woningen ingrijpend gerenoveerd met behoud van karakteristieke voorgevels, voordeuren,
binnendeuren en stucwerkplafonds.
Het Beschermd Stadsgezicht
Nu, bijna honderd jaar na de aanleg wordt er een aantal belangrijke initiatieven
ontplooid die
gericht zijn op behoud van dit stedenbouwkundig monument.
In het najaar van 1988 is in Noord-Brabant het door de Minister van WVC geëntameerde Monumenten
Inventarisatie Project, het MIP, van start gegaan. De bedoeling hiervan was een overzicht te krijgen van
de
jongere bouwkunst en stedenbouw in Nederland. Het rapport betreffende de objecten in de gemeente Breda
werd
uitgegeven in 1995.
Hierin werd de Baronielaan en omgeving aangeduid als een gebied met bijzondere stedenbouwkundige waarde.
In het daarop volgende Monumenten Selectie Project werd de Baronielaan met de Burgemeester
Kerstenslaan en de Burgemeester de Manlaan door de Provincie voorgedragen als potentieel Beschermd
Stadsgezicht. Deze Bredase stadswijken zijn een belangrijk voorbeeld van een laatnegentiende en
vroeg-twintigste eeuwse stedebouwkundige ontwikkeling, waarbij de gemeentelijke , overheid weinig
invloed
op het bouwproces heeft uitgeoefend.
Op particulier initiatie/is eengrotendeels karakteristiek negentiende- eeuws stedebouwkundig patroon met
een, behoudens uitzonderingen, betrekkelijk homogene bebouwing (..) ingevuld, aldus de toelichting.
Tegelijkertijd ondernam ook de gemeente Breda initiatieven om de kwaliteit van de Baronielaan te
verbeteren.
In 1994 publiceerde de gemeente het Concept Beeldkwaliteitsplan Breda-Zuid.
Hierin wordt gepleit voor het bewaren van de grote stedenbouwkundige eenheid van de Baronielaan en wordt
aangedrongen op herstel en restauratie van bestaande gevels en panden. In 1994 werd de Wilhelminabrug
gesloopt, maar in de oude vorm weer opgebouwd. Hij vormt daarom nog steeds een waar sieraad met zijn
brughekken in art-nouveauvormen en zijn 57 gebogen lantaarns.