VAN   DE BOULEVARD TOT   DE BARONIELAAN

HOME

VAN   DE BOULEVARD TOT   DE BARONIELAAN

De Baronielaan

D e Baronie is al sinds de 16e eeuw de naam van de landstreek rond Breda, een Baronie is een gebied onder de heerschappij van een Baron, in dit geval de Baronnen van Breda.
De Baronie werd bij de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 formeel opgeheven. Toch wordt de naam de Baronie nog altijd gebruikt als topografische aanduiding voor de ruime omstreken van Breda.
In 1905 werd in het stadspark Valkenberg het acht meter hoge Oranje-Nassau- monument gebouwd. Bij de oudere Bredanaars beter bekend als de 'De Potkachel'.
Het monument werd opgericht tot herinnering aan het feit, dat vijf eeuwen daarvoor de eerste baron van Breda: graaf Engel-brecht van Nassau met Jonanna van Polanen hun plechtige intocht deden binnen de stadsmuren van Breda.
Het Oranje-Nassau-monument werd op 3 juli 1905 onthuld door Koningin Wilhelmina. barones van Breda.
Omdat men een straatnaam nodig achtte om vijf eeuwen baronnen blijvend te herdenken, is in 1905 op aangeven van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij de span>oulevard Mastbosch' omgedoopt tot Baronielaan.

Toen er nog geen Baronielaan was

O p de plaats van de huidige Baronielaan troffen we vroeger beemden aan.
Omdat de Mark vaak overstroomde, stonden delen van het gebied regelmatig onder water. Voor een nieuwe stadsuitbreiding van Breda leek dit dus niet de meest aangewezen plaats.
Toen dominee Craandijk in 1879 van Breda naar Cinneken wandelde. had hij vanaf de Ginnekenweg nog een onbelemmerd uitzicht over de Mark.
'Ruim is het uitzicht over de akkers en weiden: ginds uit de vlakte, waardoor de Mark zich kronkelt. rijst de hoge toren van Princenhage. aldus de dominee.
Het gebied werd pas in 1881 ontsloten, toen de betrokken gemeenten besloten een keiweg aan leggen van Cinneken naar Piincenhage.
In 1884 werd de weg voltooid en in datzelfde jaar werd de Duivelsbrug vernieuwd. De weg doorkruiste het Mastbos en sloot aan op de steenweg van Antwerpen naar Princenhage.

De aanleg van de nieuwe boulevard

De plannen voor de aanleg van een nieuwe boulevard van Breda rechtstreeks naar het Mastbos, de huidige Baronielaan, schijnen ontwikkeld te zijn in de loop van 1896.
De eerste concrete handeling vond plaats op 16 juni 1897, toen diverse percelen grond benodigd voor de aanleg op één en dezelfde dag werden overgedragen aan enkele kooplieden uit Den Haag.
In het noordelijk gedeelte, moesten panden worden afgebroken om de ingang van de nieuwe weg vrij te maken. Deze kooplieden richten in juli 1897 voor notaris Verheggen te Breda de ‘Bredasche Bouwgrond Maatschappij’ op.
Deze naamloze vennootschap had ten doel het verkrijgen, verkopen, ruilen of huren en verhuren van bouwgronden in of nabij de gemeente Breda. Daarmee kwam de ondergrond voor de aanleg van de huidige Baronielaan in één hand.
In juni 1897 werden de eerste plannen openbaar gemaakt in enkele artikelen in de Nieuwe Bredasche Courant. De nieuwe boulevard zou beginnen aan de Wilhelminastraat en eindigen aan het Mastbos.
Halverwege was een rondpunt gepland. Oorspronkelijk was het de bedoeling in het midden van de weg een plantsoen aan te leggen met twee verhoogde voetpaden, beplant met bomen.
Links en rechts van de middenberm waren macadamwegen voorzien die de fietser zal doen watertanden, aldus de Nieuwe Bredasche Courant.
Over de rivier de Mark zou een fraaie brug worden gelegd die. verwijzend naar de reeds bestaande 'Duivelsbrug', de naam 'Engelenbrug' zou moeten krijgen. In werkelijkheid kreeg deze brug later de meer prozaïsche naam 'Markbrug'.

Bouwterreinen te koop aan billijken prijs

Er werd uiteraard flink reclame gemaakt om de bouw van nieuwe woningen te stimuleren.
In het eerst bewaard gebleven nummer van de Woninggids voor Breda en Omstreken uit 1903 komt de volgende advertentie voor: Van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij te koop: diverse perceelen Bouwterrein, in de onmiddellijke nabijheid van Breda en mastbosschen van Ginneken.
Zeer veele perceelen belenden aan de achterzijde aan de rivier 'De Mark'. In de verkoopaktes werden allerlei bepalingen opgenomen, zogenaamde servituten of erfdienstbaarheden.
Deze verplichtingen bleven op het perceel rusten, onafhankelijk van koper en verkoper. (Dit was een normale praktijk van exploitatiemaatschappijen in de negentiende eeuw).
Op deze wijze kon een zekere greep op de ontwikkelingen behouden blijven. Eerst werden de terreinen verkocht aan de zijde van de Wilhelminastraat.
In 1900 werden percelen verkocht aan de parochie van het Heilig Hart van Jezus voor de bouw van de kerk, het klooster en de pastorie.
In tweede instantie begon de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij percelen te verkopen aan de kant van het Mastbos.
Het eerste perceel hier werd in 1901 verkocht aan de weduwe W. Vermeulen-Chamot, op de hoek van de Willem van Oranjelaan. Het gedeelte, begrensd door de rivier de Mark en de Cartier van Disselstraat, werd tussen 1905 en 1913 in een groot aantal percelen verkocht aan de Ginnekense aannemer Johannes Segeren Cornesliszoon.
De ontwikkeling ging snel: zo werden er in het jaar 1506 maar liefst 31 bouwvergunningen verstrekt.
Een relatief gering aantal percelen werd verkocht aan particulieren, die er een woonhuis voor zichzelf op bouwden.
Voorbeelden daarvan zijn vooral te vinden in het eerste gedeelte van de Baronielaan. Zoals bijvoorbeeld Huize Trianon, waarvan de ondergrond in 1908 werd verkocht aan de fabrikant J.W. Verschure.
Het grootste deel van de bouwterreinen werd gekocht en bebouwd door aannemers.
Zij bouwden in eigen beheer woningen die zij later verhuurden. Een goed voorbeeld hiervan is de familie Van der Sande, die rond 1910 zo'n 60 panden in eigendom had.
Nadat de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij het aanleggen van de weg en het exploiteren van de aanliggende bouwterreinen volbracht had, werd door de aandeelhouders in november 1915 besloten de maatschappij op te heffen, hoewel nog tot 1922 percelen werden verkocht.

In een betrekkelijk korte periode, van 1898 tot aan de Eerste Wereldoorlog, werd de gehele Baronielaan volgebouwd. De bebouwing draagt daardoor, ondanks de verscheidenheid in architectuur, een tamelijk uniform karakter.
Het merendeel bestaat uit woonhuizen van twee, soms drie lagen. Vrijstaande panden komen zelden voor.



De aanbesteding

Na de oprichting van de Bredasche Bouwgrond Maatschappij vond enkele maanden later, op 17 november.
de aanbesteding van de aanleg plaats in de bovenzaal van het koffiehuis De Beurs van Breda, gelegen aan de Grote Markt.
De nieuwe boulevard moest worden opgehoogd, evenals de bouwterreinen aan weerszijden. Dat kostte in totaal zo'n ƒ 120.000, . Het gedeelte nabij het Mastbos moest echter worden verlaagd Het zand voor de ophoging werd afgegraven op de hoeve Nieuwenhuis aan de Galderseweg.
Voor het vervoer van het zand werd een spoorbaan aangelegd in smalspoor. Er moest ondermeer een hulpbrug worden gemaakt over de Mark.
Pas op 27 november 1897 na de aanbesteding, werd door de gemeenteraad van Teteringen toestemming verleend tot aanleg van de nieuwe weg (Het gebied viel toen nog onder de gemeente Teteringen).
!n september 1898 was de beplanting gereed Voor ƒ 4500, word de Boulevard gesierd door twee rijen iepen.
Ter herinnering aan de inhuldiging van Koningin Wilhelmina dat jaar, werd een 'Wilhelminaboom' geplant. De juiste plaats daarvan is niet bekend, maar waarschijnlijk stond de boom op het voormalige Engelbrecht Nassauplein.



Annexatieplannen

In 1899 strekte het grondgebied van de gemeente Breda zich uit tot nauwelijks buiten de Singelgracht.
Ginneken en Princenhage vormden zelfstandige gemeenten, evenals Teteringen. Deze laatste gemeente had de vorm van een lange slurf en omvatte mede de Zandberg met een gedeelte van de Ginnekenweg.
De nieuwe Boulevard zou worden aangelegd over het grondgebied van deze drie gemeenten.
Het deel tot aan de rivier de Mark viel onder Teteringen, het gedeelte van de Mark tot aan de Burgemeester Passtoorsstraat onder Princenhage en het overige gedeelte onder Ginneken.
In 1899 deed de gemeente Breda een poging tot grenswijziging, waardoor De Zandberg en de nieuwe Boulevard geheel binnen de gemeentegrenzen van Breda komen te vallen.
Sommigen ging dit voorstel veel te ver, anderen vonden het juist veel te beperkt. Uiteraard wensten de drie gemeenten niet zomaar hun grondgebied prijs te geven.
In 1905 wees het Ministerie van Binnenlandse Zaken de voorstellen af, waarmee een nieuwe grensregeling voorlopig van de baan was.
In 1908 startte Breda onderhandelingen met de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij over overname van de weg.
Op 31 maart 1909 droeg de maatschappij voor een bedrag van - 25.000,- de weg over aan de gemeente Breda.
De gemeenten Teteringen, Princenhage en Ginneken gingen tegen het Bredase raadsbesluit in beroep en met succes. Bij Koninklijk Besluit werd het Bredase raadsbesluit nietig verklaard.
Maar Breda had inmiddels de weg reeds gekocht van de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij en die wilde hem niet terug hebben. Toen volgde een vreemde procedure: Breda verkocht in september 1910 de weg aan een stroman, het raadslid Johannes M. Ingen Housz, die in 1917 zelf op Baronielaan nummer 18 ging wonen.
In 1913 richtte het echtpaar Ingen Housz de ‘Baronielaanstichting’ op, waaraan de gehele Baronielaan in eigendom werd overgedragen. Dat het hier om een schijnconstructie ging bleek wel uit het feit dat het bestuur van de stichting werd gevormd door... het College van Burgemeester en Wethouders van Breda.
In oktober 1917 werd de Baronielaan overgedragen aan de gemeente Breda. De drie randgemeenten gingen opnieuw in beroep, maar dit keer tevergeefs.
Na aankoop van de weg in 1909 diende de gemeente Breda de weg te onderhouden. Omdat de toestand van de weg erg slecht werd, besloot Breda in 1913 om de weg te voorzien van een klinker-bestrating.
Na een hernieuwde poging in 1923 slaagden de annexatiepogingen van Breda uiteindelijk in 1927, toen de Zandberg, de gehele Baronielaan en Boeimeer Breda toevielen.
De Burgemeester Passtoorsstraat, de Cartier van Disselstraat en het Mastbos bleven echter onder de gemeente Ginneken.



Gas, water, elektra en telefoon

De nieuwe Boulevard werd aangelegd buiten de gemeentegrenzen van Breda Het was dus niet vanzelfsprekend dat de gemeente Breda gas en water zou gaan leveren aan de huizen in de Baronielaan. De Bredasche Bouwgrond-Maatschappij verzocht de gemeente Breda in 1898 om gas en water te leveren ten behoeve van de woningen aan de Boulevard. De behandeling van dit verzoek nam enige tijd in beslag omdat de gemeente Breda bang was daardoor het wonen in de buitengemeenten zo aantrekkelijk te maken dat minder mensen de steeds zwaardere lasten zouden moeten opbrengen. Door de voorstanders werd daartegenin gebracht dat de annexatie van die gebieden onafwendbaar was en dat men door wel te leveren feitelijk op de annexatie vooruitliep. De bewoners van de nieuwe Boulevard hoefden echter niet in het donker te blijven zitten. In plaats van gaslampen had men de beschikking over petroleumlampen. In december 1898 werd de leverantie van gas en water dan toch goedgekeurd. De gemeente wilde echter per se leveren aan de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij in plaats van rechtstreeks aan particulieren. De Bouwgrond-Maatschappij wilde dat echter niet en de onderhandelingen sleepten zich voort totdat men, in september 1999, tot overeenstemming kwam. Onmiddellijk werd de Boulevard aangesloten op het gasleidingnet en in januari 1900 werden de eerste gaslantaarns geplaatst. De aanleg van gas- en waterbuizen kostte ƒ25.000,-. Ook wat betreft de invoering van elektriciteit was de aanleg van de Boulevard een stimulans voor nieuwe ontwikkelingen. In 1918 was het zover. In dat jaar werd in Breda een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf opgericht dat in 1919 werd aangesloten op het provinciale net van de PNEM. Wat de telefoon betreft tenslotte: in 1907 werd tot aan de brug een bovengrondse telefoonleiding aangelegd, die in 1923 werd verlengd. In 1926 werd in de Baronielaan een ondergrondse telefoonkabel aangelegd.

Een tram voor de nieuwe boulevard

Het concept voor de nieuwe Boulevard bevatte zonder twijfel de aanleg van een elektrische tramlijn. De middenklasse die zich aan de Boulevard zou gaan vestigen, beschikte over voldoende geld om hier een huis te kopen of te huren, maar was met zo welvarend dat zij zich een paard en een rijtuig kon permitteren. Er moest dus een vervoermiddel worden aangeboden, anders was de bouwgrond langs de Boulevard niet te exploiteren. De Nieuwe Bredasche Courant van 8 februari 1899 bericht dat door bankier E.L.A. Penn namens het consortium dat ook de Bredasche Bouwgrond-Maatschappij had opgericht, concessie was aangevraagd tot aanleg van een elektrische tram vanaf Hoogstraten langs Meerseldreef over Galder, de nieuwe Boulevard en het Wilhelminapark naar het station. De Nieuwe Boulevard moest het uiteindelijk echter doen met een eenvoudige paardentram. De eerste poging om zo'n paardentram te introduceren dateert al uit 1897, nog voor de aanleg van de Boulevard. Op 24 maart 1900 werd aan ene Ernest de Bruijne voor 13 jaar concessie verleend. Op 3 juli 1901 werd de nieuwe paardentramlijn feestelijk geopend, maar alleen voor het traject Van Coothplein-Mastbos. Pas een jaar later kon de tram rechtstreeks doorrijden naar het station. (In 1903 bracht De Bruijne zijn trambedrijf onder in de N.V. Tramweg-Maatschappij Breda-Mastbosch). Ten gevolge van speculatie ging De Bruijne in 1907 echter failliet. In 1920 werd de gemeente Breda eigenaar van de Tramweg-Maatschappij en werd de Gemeentetram Breda opgericht. Onder druk van de concurrentie van de autobus werd de tram in 1925 definitief opgeheven.