HOME
voorpagina voorpagina

Maak hieronder een keuze

Maak hieronder een keuze

Voorwoord

De heer B. Hulshof, zelf uit de zuivelwereld afkomstig, heeft zich met grote ambitie verdiept in de historie van een Brabants plattelandsbedrijf, dat behalve een economische ook een sociale rol heeft gespeeld. In het kerkdorp Bavel werd in 1901 door samenwerking tussen grote én kleine boeren een coöperatieve verening opgericht, die ten doel had de bereiding en verkoop van boter. Deze vereniging heeft 56 jaar bestaan. De fabriek, die zij naar een ontwerp van de Bredase architecten Oomes en Van der Pas liet bouwen, lag op een verkeersknooppunt en trok daar de aandacht van eenieder, die Bavel bezocht of passeerde. De voorliggende studie, mogelijk geworden doordat de auteur het archief der coöperatie heeft gered, geeft inlichtingen over de veeteelt te Bavel en het rendement van de melkveehouderij, over het boeren “patriciaat” en de sociale verhoudingen in het dorp. Wat deze laatste betreft is de “ondermelkkwestie" interessant, die geruime tijd grote spanningen tussen enkele boerenfamilies heeft veroorzaakt. De aandacht trekt ook de rol van de hoofdonderwijzer Cornelis van der Poel, die zich, hoewel uit Schiedam afkomstig, geheel bij de Brabantse dorpsbewoners aanpaste. Zijn te vroeg overleden zoon Zacharias werd reeds in het zesde jaar van het bestaan der boterfabriek tot directeur benoemd. Het behoeft geen betoog, dat ook de positie der parochiegeestelijkheid op het Bavelse bedrijf en zijn eigenaren dominant was De heer Hulshof heeft met zijn werk een bijdrage geleverd tot de historie van Bavel in een periode, waarin de ontplooiing van dit dorp in velerlei opzicht een aanvang nam. Daarvoor moet hem dank worden gebracht. februari 1986 Dr. F.A. Brekelmans oudarchivaris der gemeente NieuwGinneken.

Inleiding

St. Brigida, méér dan een beeld.
Toen op 17 oktober 1977 het betonnen beeld van St. Brigida aan de voorzijde van de voormalige stoomzuivelfabriek bij “'t Haantje” van zijn sokkel werd gehesen, werd daarmee het definitieve einde ingeluid van het gebouw met aanhorigheden, dat een lange reeks van jaren een vertrouwde aanblik bood en een herkenningspunt was in de dorpskom van Bavel.
Het plan om het gebouw, waarin vanaf einde 1957 een uitgiftedepót voor melken melkprodukten was gevestigd en dat voorts gebruikt werd als opslagplaats van overtollige apparatuur van de Coöp. Melkinrichting “Martinus”, te verkopen bestond reeds enige jaren.
In april 1978 werd eindelijk het gehele complex verkocht aan het makelaarskantoor Stok. Begin 1980 werd het pand gesloopt om ruimte te scheppen voor de bouw van woningen.
Voor een goed begrip van het ontstaan en de ontwikkeling van “St. Brigida”, alsmede om de latere samenvoeging met een consumptiemelkfabriek in Breda te verklaren, is het van belang in het kort de algemene ontwikkelingen aan het eind van de vorige eeuw te schetsen.
Deze verduidelijken namelijk veel van de werkwijze van een coöperatie als die in Bavel en met haar nog vele anderen.
Tussen 1880 en 1900 vond op de zandgronden een grote uitbreiding plaats van het gemengde bedrijf. Als redenen daarvoor kunnen genoemd worden:
- de toepassing van kunstmest, waardoor met name op de lichte zandgronden een grotere bodemvruchtbaarheid werd verkregen.
- het aanbod van goedkoop graan, waardoor krachtvoer voor het vee beschikbaar kwam.
- een hogere levensstandaard van een deel van de bevolking tengevolge van de industriële revolutie.
- de zeer lage beloningseisen welke door de kleine zandboer werden gesteld; hij zat in een sociale en economische uithoek.
Genoemde uitbreiding had tot gevolg dat de melkproduktie kon worden vergroot. Mede door de centrifugale ontroming van de melk aan het einde van de 19e eeuw, werd gezamenlijke verwerking van de melk mogelijk en om andere redenen noodzakelijk.
[008] Aangezien de fabriekmatige verwerking van melk, welke in Denemarken was opgekomen, in de eerste plaats gericht was op de boter, werd mede daardoor de melk in de Nederlandse zandstreken voor de boterbereiding bestemd.
De bijprodukten van de boterbereiding: zoals ondermelk en karnemelk werden gebruikt voor de opfok en het mesten van kalveren en varkens.
De boeren, althans het merendeel, nam deze verwerking zelf ter hand door het stichten van eigen coöperatieve door stoom gedreven zuivelfabriekjes. Dit gebeuren was van verstrekkende sociale betekenis, doordat er samenwerking geschapen werd tussen de grote en de kleine boeren.
Het gezamenlijk en eendrachtig streven naar lotsverbetering en standverheffing, het ontwakende bewustzijn en wederkerige steun op materieel gebied leidden tot een gelukkige evolutie van de boerenstand.
Zonder aan de voordelen van de coöperatieve vorm van beheer iets af te doen, moet ook gewezen worden op de nadelen van deze bedrijfsvoering.
De ondernemingen bleven klein als gevolg van dorpschauvinisme, d.w.z. ieder zichzelf respecterend dorp, moest de “de schoorsteen van zijn fabriek kunnen zien roken”, (dit was ook de reden dat er in Ulvenhout een fabriek werd gesticht) waarbij dan nog kwam dat vrijwel ieder bestuur “de ijdele drang tot zelfbehoud” in zich borg.
Bovendien vergde iedere concentratie vrij veel kapitaal en dus risico. En de eigen risico's waren op de gemengde bedrijven toch al niet gering, zodat het begrijpelijk is dat de boeren zo weinig mogelijk andere risico's wilden lopen. Deze factor heeft de uitbreiding van de verwerkingsmogelijkheden in de coöperatieve fabrieken geremd.
Boerencoöperaties waren traditioneel ingesteld op de bereiding van klassieke produkten zoals boter en kaas. Een andere moeilijkheid was dat een bestuur veelal te weinig begrip had van de markt, de koopkracht en de wensen van afnemers en consumenten.
Tussen de voor hun bestaan vechtende te kleine zuivelfabrieken (in Breda en omgeving bestonden er typische voorbeelden van) is een voortdurende strijd om de melk en de afzet van hun produkten gevoerd. Als gevolg daarvan kon b.v. een veehouder, die geen lid was van de coöperatie (een z.g. losse leverancier) als grondstofproducent twee concurrerende fabrieken tegen elkaar uitspelen. En onder deze omstandigheden werden bij de leden en leveranciers vrijwel geen eisen gesteld aan de kwaliteit van de melk.
[009] Hoe vaak zullen wij niet tegenkomen dat door het bestuur en de direkteur geklaagd werd over de slechte melk die men leverde, waardoor te vaak minder goede en zelfs slechte boter gemaakt werd. Voeg hierbij de traditionele aarzeling van de besturen om tijdig investeringen te doen en ziedaar, de achtergrond is compleet als beeld van “St. Brigida”. In dit opzicht verschilde de situatie in Bavel niet met die in andere plaatsen in de provincie.
Op grond van feiten en cijfers uit notulenboeken, jaarverslagen en andere stille getuigen, willen wij de ontwikkelingen van de fabriekmatige melkverwerking vanaf het begin van deze eeuw tot aan het einde der vijftiger jaren wat nader voor het voetlicht brengen.
Bovendien menen wij dat de beschrijving van een hele bestaansperiode met vermelding van namen, hier en daar becommentarieerd, een bijdrage kan zijn aan het conserveren van een stuk plaatselijke, niet meer bestaande industriële archeologie. Meer nog, zij behoort voorgoed tot de verleden tijd.
Ook heemkundig gezien is het vastleggen van oude gebruiken en werkwijzen de moeite waard. Het is meer het toeval dat wij konden beschikken over oorspronkelijke documenten o.a. verkregen bij het opruimen van een archief in 1957 dat ons tot schrijven heeft geïnspireerd dan de bewuste keuze van een heemkundig onderwerp.
Naarmate de studie zich verdiepte, werden wij meer geboeid door de menselijke verhoudingen welke zich in en rondom deze boterfabriek hebben afgespeeld.
Zij, die uit eigen ervaring de ontwikkelingen in de zuivel hebben meegemaakt zullen in de geschiedenis zoals is beschreven, veel herkennen. Zij kunnen ook bevestigen dat “St. Brigida” als model zou kunnen dienen voor elke plaatselijke stoomzuivelfabriek in de Baronie van Breda, mogelijk wel voor Middenen West Brabant.

Oprichting van de coöperatie

Het verslag van de secretaris Er zullen ongetwijfeld rond 1900 meerdere plaatsen in den lande geweest zijn, waar het bestuur van een stoomzuivelfabriek in oprichting, zich mocht verheugen in de helpende hand van een “hoofdonderwijzer” van de plaatselijke school om een coöperatieve vereniging van de grond te krijgen.
Zo is het destijds in Bavel aan de nauwgezetheid van de heer C. van der Poel te danken geweest, dat wij nu nog beschikken over een in fraai handschrift geschreven verslag van de oprichting van “St. Brigida”. Wij laten dit verslag onverkort volgen in de oorspronkelijke schrijfwijze.

“Bij het besluit van den gemeenteraad van Ginneken en Bavel zou te Bavel een nieuwe school met onderwijzerswoning worden gebouwd en het oude gebouw aan den meestbiedende worden verkocht. Al waren in den omtrek reeds verschillende coöperatieve stoomzuivelfabrieken opgericht, niemand had er aan gedacht, ook te Bavel zoo iets tot stand te brengen.
Nu echter dit gebouw te koop zou worden aangeboden, werd er door sommigen gedacht aan en gesproken over een boterfabriek voor Bavel. Indien toch het oude (school)gebouw daarvoor geschikt was, zou daar door heel wat aan uitgaven gewonnen zijn, daar het wel was te voorzien, dat het voor een matigen prijs te verkrijgen zou zijn. Maar dan diende de vereeniging te zijn opgericht voor bedoeld gebouw te koop werd aangeboden.
En zoo kwam het, dat eenige mannen met name Chr. Adr. Oomen, Ant. Oomen, Petr. Oonincx, Walth. van Hooydonk, Corn. Janssens Azn en Ger. Kriellaars in November van het jaar 1900 in de herberg van Corn. Bruininkx bijeen kwamen om met elkander over de zaak van gedachten te wisselen.
Allereerst werd besloten, het hoofd der school, den heer Corn. van der Poel, uit te nodigen deze bijeenkomst bij te wonen, ten einde, zoo nodig, zijn steun te verleenen, die daartoe gaarne bereid was, en in het vervolg steeds de leiding der vergaderingen op zich genomen heeft.
Niemand der bovengenoemden kon met grond verklaren, of een coöp. stoomzuivelfabriek tot voor of nadeel zou strekken daar de noodige kennis en ondervinding ontbrak. Voor en aleer men echter iets kon doen diende men het gevoelen van het publiek te kennen .
Alzoo werden allen, die belang hadden bij de boterbereiding tot een algemeene vergadering opgeroepen. Op die vergadering werd duidelijk gemaakt, wat een coöperatie is en wat men zich met coöperatieve stoomzuivelfabrieken ten doel stelt; en toen niemand zich na het gehoorde zich als beslist tegenstander verklaarde, werd bepaald, dat ieder voor zich zooveel mogelijk het voor en tegen zou trachten te vernemen.
Tevens werden vijf commissiën aangewezen, die onder leiding van bovengenoemde mannen de fabrieken in de omliggende plaatsen zouden bezoeken om inlichtingen in te winnen. Daartoe had iedere commissie een lijstje van vragen, waarop zij zoo nauwkeurig mogelijk het antwoord moest trachten te verkrijgen.
Acht dagen later kwamen die commissiën bijeen en nu wist men niet alleen wat de fabrieken te Oosterhout, Dongen, Rijen, Oosteind en Chaam aan oprichting hadden gekost, maar ook met welken gunstigen uitslag zij werkten kortom men wist nu wat men weten moest. Daarop werd opnieuw een algemeene vergadering belegd, waarop verslag werd gedaan van het onderzoek en de volgende vergadering bepaald op 14 dagen later. Ieder had dan tijd zich te bedenken. De zaak kreeg toen spoedig haar beslag. In de eerstvolgende vergadering telden de deelnemers samen ongeveer 300 koeien.

De daaropvolgende vergadering was gewijd aan een lezing van den heer J.B. Lips, zuivelconsulent te ‘s-Hertogenbosch, en het resultaat was gunstig: bij het einde der vergadering gaven zich 89 deelnemers op met 493 koeien. Dit groote aantal hadden we vooral te danken aan Heusdenhout, dat bijna geheel toetrad benevens een vijftal leden uit Teteringen. Nu was de oprichting verzekerd.
Op de volgende algemeene vergadering werd bij acclamatie het bestuur gekozen dat bestond uit: Chr. A. Oomen president, Ant. Oomen vice president, Ger. Kriellaars penningmeester, C.v.d. Poel secretarisboekhouder en de gewone leden P. Oonincx, Corn. Janssens Azn, Walt.v. Hooydonk en Jac. Oomen, terwijl Adr. Bruins, Adr. v. Kaam, Joh.v. Riel, H. Janssens Jzn., Adr.v. Beek en Corn. Meeuwissen tot commissarissen werden benoemd. Dit bestuur kreeg volmacht de zaak verder tot stand te brengen.
Onnodig te zeggen, dat dit spoediger was gezegd dan gedaan, daar het bestuur een groote verantwoordelijkheid op zich laadde en er vele moeiten en zorgen aan verbonden waren.

DKaartje van de ligging van de fabriek aart de kruising van wegen, situatie omstreeks 1950 Vreemd, over de oude school werd niet meer gerept. Dit was echter om verschillende redenen:
Ie. Was van het oude gebouw niet gemakkelijk een fabriek te maken, die voldeed aan de eischen, daarvoor gesteld?
2e. Door het toetreden van Heusdenhout en het achterblijven van Lijndonk kon men niet zeggen, dat de fabriek daar (plaats van de oude school) op haar plaats stond, en eindelijk.
3e. De school zou niet verkocht worden voor het einde van 1901, en dan zou men liefst de fabriek reeds in werking zien, daar de wintermaanden de beste zijn. Aldra was men erin geslaagd aan het kruispunt van Bavelsche, Heusdenhoutsche en Ginnekensche Steenwegen een geschikt terrein voor de som van f 675,- te koopen. Na vele onderhandelingen en beraadslagingen kwam men er eindelijk toe, aan de architecten Oomes en van der Pas het ontwerpen van het fabrieksgebouw op te dragen en aan de firma Boeke en Huidekoper de levering van den inventaris voor de som van f 8500,-.
Aangezien men het werk liefst door de ambachtslieden van het dorp liet vervaardigen, werd gedeeltelijk bij de inschrijving en gedeeltelijk bij overeenkomst het bouwen der fabriek opgedragen aan W. Havermans, metselaar, voor de som van f 3990,- en M. Meeuwissen, timmerman, voor de som van f 2766,-; de schoorsteen zou door een specialist in dat vak worden opgetrokken.
Het bestuur was aangeraden geworden, zoo vroeg mogelijk een direkteur te benoemen, waartoe J.H. van Geldrop werd gekozen, toenmaals direkteur te Tubbergen, op een salaris van .f 600,-. De direkteur trad 1 Juni in functie,toen ook met het bouwen een aanvang werd genomen.
Op den bepaalden datum, 1 Oktober 1901, werd de fabriek als voltooid opgeleverd en den 2e oktober plechtig geopend, waarbij de Hoog Eerw. Heer W.H. van Hees, deken en kanunnik en pastoor dezer parochie, de plechtigheden der inwijding verrichtte, en de fabriek en daarbij de geheele onderneming onder de bescherming stelde van de H. Brigida bijzondere beschermster van het rundvee, wier beeltenis in een nis voor de fabriek prijkt, en wier naam de coöperatie draagt.”
Tot zover het letterlijk verslag van de toenmalige secretaris. Wij zullen in de loop van de volgende bladzijden nog wat uitgebreider terugkomen op een aantal details die bij de oprichting van de vereniging en inrichting van de fabriek vermeldenswaard zijn.
Bij de documenten van St. Brigida vonden wij ook een: “Begrooting en Omschrijving van: eene volledige te saamstelling van natuurboterwerktuigen voor: eene Complete Natuurboterfabriek, Den Heer D. Manders Ginneken” van de ‘s Hertogenbossche Machinefabriek van Henri Grasso.
Wie was deze heer Manders en wat was zijn relatie met een boterfabriek? In het verdere vervolg van de geschiedenis komen wij zijn naam niet meer tegen.

Gezicht op de kerk vanaf de boterfabriek

Hendrik Manders was bankwerker en woonde aan de Dorpsstraat A 204a te Ginne- ken. Zijn officiële naam was weliswaar Hendrik, maar het was heel gebruikelijk dat hij met Driek of Dirk werd aangesproken. In 1889 kwam hij in het Ginneken wonen en huwde er mevrouw de Kanter, de weduwe van de gemeentebode.
Zij woonden toen onder in het gemeentehuis. Daar Christiaan Oomen in zijn hoedanigheid als wethouder en voordien als raadslid nogal eens in het gemeentehuis vertoefde mogen wij veronderstellen dat hij bij die gelegenheden D(riek) Manders ontmoet en wellicht gekend heeft.
Wij mogen aannemen dat het beroep van bankwerker kennis van machinerieën en de werking daarvan inhield. Een algemene orientatie in de naaste bekende omgeving om een begroting en omschrijving van werktuigen voor een boterfabriek te verkrijgen lag voor de hand

De vereniging opgericht

De akte van oprichting werd verleden te Bavel op 17 april 1901 ten koffiehuize van Cornelis Bruijninckx voor Jhr.Mr. R.F.M.A. de Roy, notaris te Teteringen. Vermeld worden 88 boeren met totaal 491 koeien en zij werden als zodanig ook ingeschreven in het ledenregister zoals werd vereist door de: “Wet van den 17den November 1876, tot regeling der coöperatieve vereenigingen.” In bijlage 2 vindt men de namen van de oprichters met het aantal ingeschreven koeien.
Het bestuur kon nu verder en de oprichtingskosten zoals, aankoop van het terrein, stichting van gebouwen, aanschaffing van machinerieën en dergelijke, alsmede het benodigde bedrijfskapitaal werden verkregen door het uitgeven van schuldbrieven ad. vijfhonderd gulden. De eerste leningen werden verstrekt door:

Datum Naam Bedrag
1 juliJoanna van den Broek .f 2000,
21 juli Erve G. Bruins .f 500,
16 aug.Adrianus van Rozendaal, Gilze.f 1000,
5 sep.Wed. Gerardus Voermans .f 1000,
5 sep.Adrianus en Adriana Voermans .f 2000,
9 sep.Erve G. Bruins .f 1500,
13 sep. Adrianus van Rozendaal, Gilze .f 1000,
13 sep. Petrus Brouwers, Gilze .f 2000,
12 okt. Erve G. Bruins .f 2000,
4 nov.Petrus Oonincx .f 1000,
4 nov.Wed. W. Kriellaars .f 1000,

Voor zover te achterhalen was, werden later ook nog leningen verstrekt door: Maria Oonincx, Bavel; Joh. van Eyl, Heusdenhout; Joh. Roovers, Teteringen; Waltherus van Hooydonk, Bavel; Chr. A. Oomen, Bavel; Chr. Snoeys, Strijbeek; (?) Anssems, Gilze, waarbij de aantekening gemaakt moet worden dat de lijst hiermee beslist niet compleet was. De rente welke betaald moest worden vond men toch wel aan de forse kant (4%!) en dat ontlokte in jaarvergaderingen nogal eens de nodige opmerkingen. Het bestuur verweerde zich daartegen dat bij de oprichting moeilijk geld van 327 verkrijgbaar was, te meer “daar het vertrouwen in welslagen dezer coöperatien toen nog niet zo groot was”.

Waar bleef de gedenksteen?

De gedenksteen welke aan de voorzijde van de fabriek was ingemetseld, dateert uit het jaar 1902 en heeft tot aan de sloop de voorgevel gesierd. In een gezamenlijke vergadering van bestuur en commissarissen op 18 januari 1902:” werd nog een beslissing genomen omtrent, het plaatsen van den gedenksteen, waarin de namen van het dagelijks bestuur zullen gebeiteld worden.”

OPGERICHT
9 OCTOBER 1901
CH.A.OOMEN pres. ANT.OOMEN
vice pres. GER.A.KRIELLAARS
penn. C.V.D.POEL secr.

Het is jammer dat bij de sloop van de fabriek in 1980 door onbekenden deze steen uit de muur werd gehaald en is meegenomen.

De mannen van het eerste uur.

In elke gemeenschap, groot of klein, zijn altijd mensen te vinden die als natuurlijke leiders naar voren komen. Niet in het minst werd dit verworven door organisatiege- voel en de gave van het woord waardoor meningen en opvattingen, waarvan zij de vertolkers waren, voor anderen herkenbaar werden. Hierdoor genoten zij vertrouwen en aanzien. In het voorgaande zijn de oprichters al genoemd, maar wie waren zij, deze voormannen in het dorp Bavel? Wij hadden niet de beschikking over foto's van alle bestuursleden van het eerste uur, maar enige genealogische gegevens verlevendigen wellicht de persoon in kwestie.
1. De voorzitter, Christiaan Adriaan Oomen, werd geboren te Bavel op 17 augustus 1837 en bij de oprichting in 1901 was hij 64 jaar. Sedert 1867 was hij lid van de gemeenteraad, en op 23 december 1899 werd hij tot wethouder benoemd. Deze functie vervulde hij tot aan zijn overlijden op 9 december 1916. Hij was gehuwd met Adriana Helena Oomen, geboren te Princenhage op 14 juni 1847. Hij woonde in Bavel op B 47.
2. Antonius Oomen, ondervoorzitter van de coöperatie werd geboren te Bavel op 20 februari 1851 en was bij de oprichting 50 jaar. In 1899 werd hij gekozen tot lid van de gemeenteraad maar lang heeft hij deze functie niet mogen vervullen, noch die van ondervoorzitter. Nog vóór de fabriek in bedrijf ging overleed hij op 16 augustus 1901. In 1886 woonde hij op het adres IJpelaar B 5. Hij was gehuwd met Adriana Luikx, geboren te Etten 12 mei 1851.
3. Gerardus Adrianus Kriellaars, penningmeester, werd geboren te Bavel 1 november 1870 en hij was 30 jaar toen hij bestuurslid werd en daarmee ook de jongste van het illustere gezelschap. Hij heeft een lange reeks van jaren deel uitgemaakt van het bestuur (zie ook bijlage 1). Hij was gehuwd met Maria Brigitta Rops uit Teteringen, geb.4 juni 1871. Hij woonde te Bavel op B 51b en overleed er op 21 maart 1950.
4. Cornelis van der Poel werd 2 november 1854 in Schiedam geboren. Hij was gehuwd met Maria Elizabeth Berdina Schaap. Voor hij zich vp 7 juli 1883 in Bavel vestigde, was hij reeds hoofd der school in Wouwse Plantage. Hij was bijna 46 jaar toen hij bij de oprichting betrokken werd. Zijn kundigheid, opleiding alsmede de plaats in de dorpsgemeenschap (hoofd der school) maakten hem tot een min of meer centrale persoon. De functie van secretarisboekhouder in het bestuur was duidelijk een vertrouwenspositie. Tot 1925 hebben de Van der Poels in Bavel gewoond. Daarna vestigde het echtpaar zich in Rotterdam.
5. Cornelis Janssens Adr. zn. was bij de oprichting in 1901 30 jaar en slechts enkele dagen ouder dan zijn collega Gerrit Kriellaars. Hij werd geboren te Bavel op 29 oktober 1870 en huwde Sophia Adriana van Hoek, geboren te Gilze op 26 september 1867. Twee en twintig jaar lang was hij bestuurslid. Hij woonde op Tervoort B 107 en overleed 13 juni 1926.
6. Waltherus van Hooydonk. werd 12 juli 1867 te Bavel geboren en was 33 jaar bij de oprichting van St. Brigida. Zijn woonadres was in 1897 B 104 IJpelaareind. Hij huwde met Maria Catharina Koenraads. geboren te Teteringen. 19 september 1873. Hij overleed op 11 mei 1925.
7. Petrus Oonincx, werd in Princenhage geboren op 27 februari 1833 en was de nestor van het bestuur ten tijde van de oprichting. namelijk 68 jaar. Hij was gehuwd met Johanna Pheninckx uit Oosterhout. geboren op 9 januari 1844. Eerst woonde hij op het adres B 18 (in 1880) en later op B 17 b. Hij overleed 10 april 1919.
8. Jacobus Petrus Oomen was de derde „Oomen” in het bestuur en 39 jaar bij de oprichting. Hij werd geboren te Ginneken op 27 maart 1862 en woonde in Heusdenhout op A 577. Op 7 december vertrok hij naar Teteringen. Hij volgde Antonie Oomen op als ondervoorzitter. Zijn echtgenote was Catharina Oonincx geb. te Princenhage op 22 mei 1856.

De statuten

Wij hebben in het voorgaande terloops al opgemerkt dat de vereniging op 17 april 1901 werd opgericht. Daarbij is nog niets gezegd over wat in de statuten vermeld was omtrent een aantal belangrijke zaken zoals:
- het lidmaatschap
- bestuurders, commissarissen en beheervergaderingen
- wijziging van de statuten en ontbinding der vereniging
Over naam en doel van de vereniging hebben wij reeds gesproken.

Het lidmaatschap

A lle leden van de vereniging werden ingeschreven in het ledenregister met vermelding van het aantal melkkoeien, waarmee de basis voor de aansprakelijkheid vastgelegd en de stemmenverhouding geregeld was. Immers meer koeien betekende meer stemmen. Leden met één, twee of drie koeien hadden één stem; deelnemers met vier,vijf of zes koeien twee stemmen en zij die meer dan zes koeien hadden konden drie stemmen uitbrengen in de algemene vergadering. Toetreden als lid van de vereniging kon geschieden door een schriftelijk verzoek te richten aan het Bestuur, en in de eerstvolgende ledenvergadering werd bij meerderheid van stemmen daarover beslist. Elk nieuw lid betaalde voor elke koe een inleggeld, dat ieder jaar opnieuw in de algemene vergadering werd vastgesteld. Ook was in de statuten bepaald dat elk lid op 1 mei en 1 november van ieder jaar zijn aantal melkgevende koeien bij de direkteur moest opgeven. De secretaris hield daartoe een register bij. Dit register geeft ons een goed inzicht in het verloop van de veebezetting op de gemengde bedrijven van weleer (zie ook bijlage 3) Volledigheidshalve vermelden wij nog dat het lidmaatschap ophoudt om de volgende “geldige redenen”: 1. overlijden 2. verandering van woonplaats naar buiten den kring der vereniging. 3. geheel opgeven van het landbouwbedrijf of de melkerij" De onder 2 en 3 genoemde redenen waren ter beslissing van het bestuur, dat er niet voor schroomde zijn rechtmatigheid van handelen tot voor de rechtbank te verdedigen. Gelukkig kwam dit niet vaak voor en zij had daarvoor overigens de machtiging van de algemene vergadering nodig.

bestuurders, commissarissen en beheer

Voor het beheer van de organisatie was bepaald dat het bestuur bestond uit 7 leden, die in de algemene vergadering werden gekozen voor een termijn van 4 jaar. Om de twee jaar traden eerst 3 en daarna 4 leden af.
Het toezicht op de handelingen van het bestuur werd uitgeoefend door tenminste 6 commissarissen, door de leden benoemd en waarvan de helft elke 2 jaar aftrad. Het bestuur had de verplichting om aan de commissarissen alle verlangde inlichtingen te verschaffen omtrent beheer, inzage te geven in de boeken en bescheiden, de kas te laten controleren en het reservefonds te verifieren.
“De eigenlijke fabricage en administratie der vereniging werd opgedragen aan een deskundige direkteur”, onder onmiddellijk toezicht van de bestuursleden. Ook benoemde en ontsloeg het bestuur het fabriekspersoneel.

Vergaderingen

De vergaderingen van de leden werden gehouden bij oproeping onder leiding van het bestuur. De kennisgeving daarvan werd aan de fabriek aangeplakt. Binnen 3 maanden na afloop van het boekjaar moest het bestuur rekening en verantwoording afleggen aan de algemene vergadering.
Na goedkeuring diende dan binnen een maand de rekening en verantwoording gedeponeerd te worden ter griffie van het kantongerecht te Breda.

Wijziging van de statuten

Wijziging van de statuten kon niet geschieden dan in een daartoe bijzonder belegde vergadering, waar minstens tweederde der leden tegenwoordig of vertegenwoordigd moest zijn en een besluit kon alleen worden genomen met tweederde van de geldig uitgebrachte stemmen.

In de loop van haar bestaan werden de statuten vijf keer gewijzigd en wel op:
11-12-1917 notaris Laurijssen te Teteringen
29-11-1921 notaris Laurijssen te Teteringen
27-10-1930 notaris Suys te Breda
25-03-1957 notaris Tierolff te Breda R.K.Vereniging
Sinds de oprichting werden de statuten voor het eerst gewijzigd in 1917 op 11 december en de volgende wijziging was die van 29 november 1921 en daarin werd de katholiciteit van de coöperatie met nadruk vastgelegd.
Zo lezen wij: “Art.l. De Vereeniging draagt den naam van “Roomsch Kath. Coöp. Stoomzuivelfabriek St. Brigida.”
In art. 2. stond vermeld:
“het doel en de werkkring dezer vereening is: gemeenschappelijke zuivelbereiding en verkoop der verkregen produkten, met inbegrip van alles wat middellijk of onmiddellijk,met die fabricage of dien verkoop in verband staat.”
Aan art. 2. wordt toegevoegd:
“Zij tracht haar doel te bereiken overeenkomstig de Katholieke beginselen die het maatschappelijk economisch leven moeten beheerschen.”
Art.l6. wordt als volgt gelezen:
“Voor het gewoon lidmaatschap wordt vereist dat men R.C. zij, houder of houdster van melkkoeien, de bekwaamheid hebben om verbintenissen aan te gaan en verder voldoen aan de eischen in deze statuten of door de alg. vergadering vastgesteld.
Niet Katholieken kunnen buitengewoon lid zijn mits zij de Christelijke beginselen omtrent God, Huisgezin en Maatschappij huldigen en bekwaam zijn om verbintenissen aan te gaan. Zij hebben de rechten als de gewone leden behoudens het passief en actief kiesrecht voor het Bestuur.”
Art.26. wordt aan toegevoegd:
“Aan het Bestuur wordt toegevoegd een Geestelijk adviseur, die tot alle vergaderingen wordt genoodigd. Hij heeft op de vergadering een adviseerende stem, draagt geen finantieele verantwoordelijkheid en heeft recht van verzet tegen besluiten die tegen de Roomsch Katholieke beginselen indruischen. In geval van dit verzet staat voor het Bestuur beroep open bij den Bisschop.”
Zoals de lezer zal kunnen constateren zijn toen alle elementen ingebracht om van de stoomzuivelfabriek een R.K. vereniging te maken. Men zou geneigd zijn te veronderstellen dat de vorige zin wat spottend bedoeld is, maar dit is niet het geval, integendeel. Het is louter een vaststelling van een opvatting over werken en geloven zoals die zich in Bavel en elders in Brabant in de loop der tijd heeft ontwikkeld, waarbij niet vergeten moet worden dat het dorpsleven in zeer grote mate bepaald werd door de boeren.
Hun opvattingen, inzichten en handelwijzen drukten een behoudend stempel op de plaatselijk samenleving. Voeg daarbij dat zij nagenoeg allemaal katholiek waren en plaatsen wij dit in een tijd waarin het Roomse Leven naar een hoogtepunt groeide, dan is dit alles begrijpelijk en te verklaren.
Ook aan de nietkatholieken werd gedacht (art. 16) maar er zal wel niemand geweest zijn die een onderzoek ging instellen naar de “christelijke beginselen omtrent God, Huisgezin en Maatschappij.
.” Zeer markant is in art. 26 de uitdrukking dat de geestelijk adviseur “recht van verzet heeft.”Beroepsmogelijkheid “bij den Bisschop” heeft het Bestuur nog achter de hand als zij het niet eens zou zijn met het verzet van de geestelijk adviseur.
De rol van de genoemde functionaris in zo'n coöperatie mag anderzijds niet onderschat worden en met name in onderlinge conflicten poogde hij verzoening te bewerken en kon een aansporing van zijn kant juist het tij ten goede keren.
Luisterde men zondags in de kerk immers ook niet naar hem of was de vermoeidheid dan dermate groot van het zwoegen in de week dat men in slaap viel? Een aardig voorbeeld van wat de geestelijk adviseur te berde bracht in de algemene vergadering van 10 februari 1922 willen wij u niet onthouden.
Wij citeren de notulist:
“Hierna werd het woord gevoerd door de Hoog Eerw. Geestelijk adviseur die in eene krachtige rede de ontwikkeling en de bloei onzer Coöperatie hartelijk toejuichte, zijne beste wenschen uite voor den verdere bloei der Coöperatie zijn volle tevredenheid betuigde over het meer en meer bijwonen der H.Mis ter Eere v.d. H. Brigida des morgens waarvoor sommige van verre waren opgekomen.
Spr. juichte de eensgezindheid toe die in onze Coöperatie bestaat en spoorde allen aan tot verdere eensgezindheid en vertrouwen in het bestuur vooral in deze dagen van donkere vooruitzichten, en vooral drukte
Spr. de leden op het hart toch vooral het vertrouwen te verlevendigen op de machtige voorspraak van de H. Brigida opdat onder hare hoede en bescherming onze Coöperatie tot meerdere bloei moge geraken.
Een ruim applaus had de Hoog Eerw. adviseur te oogsten".

De Geestelijk adviseur

Er zullen rond de eeuwwisseling weinig verenigingen in de Baronie zijn geweest welke geen geestelijk adviseur hadden. Zij waren immers nauw betrokken bij al hetgeen in het dorp gebeurde. In de loop der jaren zijn de volgende pastoors geestelijk adviseur van de coöperatie geweest:

Deken W. van Hees van 1901-1910
Deken Dr. P.G.H. Dirckx van 1910-1934
Pastoor P. Doens van 1934-1958

Hierbij moet nog wel opgemerkt worden dat de pastoor en kapelaan van bijna elke vereniging geestelijk adviseur waren. Overigens werd deken Dr. Dirckx in 1919 benoemd tot geestelijk adviseur van de Brabantse Zuivelbond.
Deze benoeming was een gevolg van een uitspraak van de bisschop van Breda om bij de statutenwijziging in 1919 voor te stellen de Brabantse Zuivelbond op katholieke grondslag te organiseren. Dit voorstel werd door een 25tal fabrieken gesteund en aangenomen.
In 1920 werd door deken Dirckx een sociaaleconomische cursus gegeven, waarvoor grote belangstelling bestond. In het boek: “Zuivelcoöperatie in Nederland” van J.A. Geluk, wordt vermeld dat het “mede aan zijn invloed te danken was, dat men in de Brabantse Zuivelbond al spoedig tot overleg kwam met de vertegenwoordigers der arbeidersorganisaties en modelregelingen maakte voor arbeidsovereenkomsten.
Ook de regeling van het pensioenvraagstuk, waartoe in 1920 een pensioenfonds gesticht werd, kan men tot deze werkzaamheid rekenen.”
In Bavel werd in 1921 voor het eerst de geestelijk adviseur met name in de statuten genoemd en in 1930 nog eens bevestigd. Was het dan geen goed gebruik om nieuw begonnen zaken onder bescherming en zegening van de Heer of een patroonheilige te brengen, opdat er zegen op de onderneming zou rusten?
Welnu wij hebben al gezien dat deken van Hees de fabriek plechtig inwijdde, maar hij was ook de behoeder van het geestelijk welzijn van de aan zijn zorg toevertrouwde parochianen. Dit “welzijn” was o.a. ook vastgelegd door de kerk in wetten en regels.
Wanneer de zondagsheiliging op een of andere wijze in het geding mocht komen waren de bestuurders wel zo verstandig tijdig advies in te winnen, als hun dit al niet voorgeschreven was. Mede in dit licht gezien wekt het dan ook geen verbazing, wanneer deken van Hees zich op 21 december 1903 in een brief tot het Bestuur richt, waarin hij dispensatie geeft voor het werken op zon en feestdagen.
Wij laten deze brief onverkort volgen.

"Aan het Bestuur van de Stoomzuivelfabriek St. Brigida te Bavel.
Met Bisschoppelijke machtiging d.d. 21 en 19 December 1903 verleent de ondergeteekende aan uw bestuur tot opzeggings toe de volgende dispensatie:
1. Zoo dikwijls in den loop van het jaar een Zondag onmiddellijk door een feestdag wordt voorafgegaan of gevolgd of twee feestdagen onmiddellijk op elkander volgen, mag de reeds ontroomde melk gekarnd worden op den 2n dag.
2. Wanneer deze opeenvolging van Zonen feestdag of van twee feestdagen zich voordoet in de maanden Mei, Juni, Juli, Augustus en September, mag bovendien de versche melk op een dier dagen naar de fabriek vervoerd en daar ontroomd worden. Eveneens is dit geoorloofd, wanneer met Kerstmis drie Zon en feestdagen onmiddellijk op elkander volgen.
Hierbij wordt echter bepaald:
a) dat nimmer worde gewerkt op den In Kerstdag,
b) dat het aanvoeren der melk, zoo het eenigzins mogelijk is, afgeloopen zij voor het begin der Diensten in de kerk,
c) dat de fabriek, na het aanvoeren der melk tijdens het ontroomen en tijdens het karnen, aan de straatzijde zooveel mogelijk gesloten worde gehouden,
d) dat de geestelijkheid ter voorkoming van misbruiken nauwkeurig toezie, of de grenzen deze dispensatie niet worden overschreden.
Bavel 21 December 1903
W. van Hees pastoor deken

Gelieve deze dispensatie ter raadpleging in uw archief te bewaren.” Dankzij de goede bewaring in het archief konden wij erover beschikken. Niet altijd echter waren de opvattingen ten aanzien van het werken op zon en feestdagen tussen het bestuur en de geestelijk adviseur gelijk.
Eens bracht de voorzitter de vraag naar voren of op 8 december (Feest van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria werd als een zondag gevierd) melk ontvangen zal worden of niet.

“Geheel het bestuur was er voor om te ontroomen en met den wensch van onzen Hoogeerw. adviseur om ‘s namiddags na het lof te ontroomen kon het bestuur zich niet vereenigen,zodat des ‘smorgens op het gewone uur begonnen zal worden.”

Een paar jaar later (juni ‘34) begon de fabriek in Princenhage met het ontvangen van melk op zondag. In Bavel was men van oordeel dat dit onder onze katholieke boeren zoveel mogelijk geweerd diende te worden.
Daartoe had de voorzitter een onderhoud met de Geestelijk Adviseur van Princenhage, die op zijn beurt beloofde, deze zaak te bespreken met het bestuur en direkteur van de fabriek aldaar.

Jaarvergaderingen

De eerste jaarvergadering werd gehouden op 28 januari 1902 in de herberg van Adr. Bruins en begon om 6 uur ‘s avonds.
Wat kwam er aan de orde?
Allereerst gaf de secretaris een kort overzicht van de “wordingsgeschiedenis” der coöperatie, waarna de direkteur verslag deed van de werking der fabriek en de verkregen resultaten in de afgelopen drie maanden.
Er vond een bestuurverkiezing plaats en tenslotte gaf het bestuur inlichtingen omtrent de voorwaarden van toetreding van nieuwe leden en leveranciers. Daar niemand behoefte had aan het maken van opmerkingen, was daarmee de vergadering afgelopen.
In één van de volgende vergaderingen werd afgesproken, dat deze niet gehouden zullen worden buiten de kom der parochie en zij vonden afwisselend plaats in de herberg van Adr. Bruins, D. van Disseldorp of C. Bruininckx.
Op de jaarvergadering van 10 februari 1904 krijgen de aanwezigen voor het eerst elk twee worstebroodjes uitgereikt a 10 cent per stuk, en deze goede gewoonte welke ook in Princenhage gebruikelijk was, heeft daar stand gehouden tot aan het begin van de zeventiger jaren.
In 1905 overigens werd het worstebrood op kosten der vereniging verstrekt:
“ en dat deze van goede kwaliteit was, bleek wel toen zes broodjes, welke door de afwezigheid van een paar leden waren overgeschoten en nu publiek werden verkocht, nog meer opbrachten dan den kostenden prijs.”
Vanaf 1919 werden alle jaarvergaderingen gehouden in het patronaat en in dat jaar werd daarvoor f 10,- subsidie verstrekt.
De huurpenningen voor gebruik van het patronaat werden niet altijd prompt betaald. Zo lezen wij dat in 1927 de directeur van de Hoogeerw. Adviseur een aanmaning kreeg om de huur van het patronaat zijnde f 15,- per jaar te voldoen.
“Daar men met 1927 medegerekend vier jaar is achtergesukkeld met betalen werd besloten de achterstallige huur te betalen in de vorm van stoelen. Hiervoor zal getracht worden in Belgie 100 stoelen te kopen en in ‘t patronaat te plaatsen. Hiermede is de oude .schuld afgedaan en hebben we tevens een paar jaar voorsprong.”
Dat men er inderdaad in geslaagd is de stoelen voor het patronaat op de kop te tikken blijkt uit een ander fragment in 1933. Want de direkteur deelde toen aan het bestuur mede dat er in geen jaren meer aan het patronaat is betaald voor het gebruik van de zaal.
“Daar wij voor 7 jaren terug de stoelen hebben gegeven zullen wij maar afwachten of de Hoogeerw. Heer Deken er niet naar vraagt.”

De inrichting van de fabriek

De naam “stoomzuivelfabriek” geeft al min of meer aan dat stoom een belangrijk element was in de energievoorziening van die tijd. Wij moeten ons een boterfabriek van rond 1900 niet te ingewikkeld voorstellen.
Het doel van de vereniging was:
het bedrijven van gemeenschappelijke zuivelbereiding en de verkoop van de verkregen produkten met inbegrip van alles wat direkt of indirekt met de fabricage of de verkoop verband houdt. Daar op de boerderij gekarnde boter veelal van slechte kwaliteit was, beoogde men met een meer fabriekmatige aanpak een beter produkt te verkrijgen.
De stoom nu werd gebruikt voor de aandrijving van de opgestelde werktuigen door middel van een stoommachine, als ook voor het pasteuriseren van de melk. Deze werd vervolgens ontroomd met behulp van separatoren (centrifuges) waarbij ondermelk en room vrijkwam.
De verkregen room gaf na het karnen een produkt boter, dat minder snel aan bederf onderhevig was en tevens een betere smaak had.
In deze korte beschrijving ligt dan ook in feite de gehele inventaris vast van een eenvoudige boterfabriek.
Wanneer wij een blik werpen in een door Boeke & Huidekoper (bekende installateurs van boter en kaasfabrieken) op 4 april 1901 uitgebrachte offerte, dan zien wij daarin o.a. het volgende vermeld.
1 horizontale stoommachine van 8 pk nominaal en
1 horizontale Cornwall stoomketel met een verwarmend opper .f 2000,- vlak van 17 m2, 3,28m lang van een doorsnede van 1,15m geschikt voor een stoomdruk van 6 atmosfeer, tesamen voor de   Verder wat klein gereedschap, waaronder houten en gegalvaniseerde emmers, boterstamper, pottenvuller, paardeharen teemsen, monsterflesjes, toestel voor onderzoek van het vetgehalte van de melk en gereedschap voor de machinist.
Voor wat betreft de stoommachine merken wij op, dat men er weinig plezier aan beleefd heeft, want in mei 1904 besluit het bestuur al om een nieuwe aan te schaffen, omdat ze onbruikbaar is gebleken, na verschillende reparaties te hebben ondergaan.
Zoals in het verslag van C.van der Poel is vermeld bedroegen de kosten der timmerwerken .f 2766,-, maar niet alles was in de aanneemsom te vangen.
Zo diende M. Meeuwissen later nog een rekening in van meerwerk. Daaruit blijkt, dat hij behulpzaam is geweest bij het vervoer en het lossen en binnenbrengen in de fabriek van de stoommachine en de stoomketel, en assistentie heeft verleend aan monteurs bij het vastzetten van de water en stoomleidingen. geweest
De firma J. Verlegh van Wijck verzorgde het vervoer van de stoomketel voor een bedrag van f 18,55.
De fa. Meeuwissen bracht voorts 134 uur arbeid in rekening voor .f 0,17 per uur, totaal dus .f 22,75.
De centrifuges bij “St. Brigida” waren in ieder geval door stoomkracht gedreven machines, waarvan nevenstaand een voorbeeld met “hoogen voet”.
De separatoren met wormwielbeweging waarbij de beweging niet door een snaar maar door een wormwiel op de trommelas wordt overgebracht, hadden namelijk een hoge voet.
Interessant te weten is ook dat:
1 lessenaar .f 4,60
1 kruiwagen .f 5,75
1 stelling voor olievaten .f 3,40
1 brievenrek in het kantoor .f 1,90
1 lijst met glas voor vergunning .f 1,25
3 bezemstelen .f 0,24
hebben gekost.
Een brandkast en kachel werden op 28 september gekocht bij de Fa. Gebr. van der Lely (fabriek van ijzerwaren en huishoudelijke artikelen)in Breda voor de som van f 80,-.
Nu wij het toch over rekeningen hebben, mag niet onvermeld blijven dat de Weleerwaarde Heer Deken W.H.van Hees de kosten voor het schilderen van het Brigida beeld, zijnde f 11,- voor zijn rekening nam. De uitvoering geschiedde door J.H. van Ginkel.
De stenen voor de schoorsteen werden destijds per spoor aangevoerd, waarvoor aan transportkosten f 25,- werd betaald. Het bouwen ervan werd toevertrouwd aan de Fa. Teeuwen Neefkens voor de som van f 161,80.
De direkteurswoning werd later aanbesteed, waarbij het metselwerk door W.de Kanter werd uitgevoerd voor f 1110,- en het timmerwerk door M. Meeuwissen voor een bedrag van f 1028,-.
Merkwaardig is overigens dat nergens in de notulen gerept wordt over deze beslissing, terwijl aanzienlijk kleinere bedragen wel besproken en genotuleerd werden.
Hierbij moet aangetekend worden, dat aanvankelijk niet van elke bestuursvergadering notulen gemaakt werden, terwijl het besluit om dit wel te doen eerst genomen is op 7 januari 1904.

De hinderwetvergunning

Uit de aanvraag voor het verkrijgen van een Hinderwetvergunning, welke op 4 juni 1901 werd ingediend, blijkt dat op het perceel kadastraal bekend onder sectie K nr. 681, gelegen aan “den steenweg van Ginneken naar Bavel een fabriek zal worden gedreven door een machine van acht paardekracht, een stoomketel van 18 m2 verwarmingsoppervlak, den rook zal worden afgevoerd door een schoorsteen hoog 14 mtr. en heeft wat de fabriek betreft een oppervlakte van 175 m2, verdeeld in afdelingen volgens een bijgevoegde tekening en wordt uitsluitend tot het vervaardigen van zuivelprodukten bestemd.” Op 20 juli 1901 wordt de vergunning verleend door Burgemeester en Wethouders onder de voorwaarden dat:
1
      a “de schoorsteen een hoogte moet hebben van minstens 13 meter.
      b. in de onmiddellijke nabijheid der stookplaatsen en verwarmte(!) inrichtingen zoo min mogelijk hout of andere licht ontvlambare stoffen mogen worden aangebracht.
      c van een goeden afvoer van het spoel en ander water moet worden zorg ge dragen.
2 dat de inrichting voltooid en in werking gebracht moet zijn voor 1 januari 1902."
Bovenstaande voorwaarden zijn ook heden ten dage nog zeer belangrijke elementen welke in de Hinderwet geregeld worden en die tevens direkt te maken hebben met het milieu. De voorwaarde onder Ic is immer een punt van steeds terugkerende zorg geweest voor de bestuurderen, waarmee men eigenlijk niet goed raad wist.
De afvalwaterlozing was aan het begin van deze eeuw zo mogelijk een nog groter vraagstuk, mede door het ontbreken van een riolering. De enige riolering was een af voersloot, waarvan het schoon houden telkenjare opnieuw werd aanbesteed.
Deze sloot mondde uit in de Wouwerlei. In het najaar van 1935 komt een begroting aan de orde om eindelijk een riolering aan te leggen van de fabriek naar de beek of Wouwerlei. Na hierover “breedvoerig te hebben gesproken” werd het punt aangehouden tot een volgende vergadering.
Men zou dan proberen met de eigenaars van de gronden de zaak te bespreken, om de afstand te bekorten. Een opmeting van de voorzitter leverde op dat de afstand nauwelijks korter te maken was.
Het rioleren van de afvoersloot beschouwde men "als niet uit te voeren vanwege de te hoge kosten". Het schoonmaken van de sloot leverde erg veel moeilijkheden op vooral ook “omdat alle aangelegen gronden voort bouwland is” dat het opruimen aan de gelanders werd aanbesteed.
Uit naam van hen werd na wat loven en bieden het opruimen aanbesteed aan Adr. v.d. Avoort voor de som van f 50,- per jaar.
De afvoersloot werd meestal tapsloot genoemd en deze benaming moet gezocht worden in het feit dat het water in deze sloot nogal eens wit van kleur zag als gevolg van het schuim van de tapte melk dat bij het ontromen ontstond en natuurlijk doordat niet altijd even zorgvuldig met de melkrestanten werd omgegaan.
Ook het tappen van de ondermelk en de karnemelk op de melkontvangst leverde een aanzienlijke bijdrage in de tapsloot.
Op nevenstaand kaartje hebben wij de loop van de tapsloot naar de Wouwerlei aangegeven. Het eerste gedeelte, nl. van de fabriek tot juist voorbij de boerderij van J. v.d. Avoort werd aan het eind van de jaren twintig van buizen voorzien. Het op het kaartje gestippelde gedeelte werd aangelegd in 1951.

Boterbereiding

Vn het voorgaande hebben wij reeds een overzicht gegeven van de werktuigen die nodig waren voor een fabrieksmatige boterbereiding. Immers in Bavel was dit, evenals in de omliggende plaatsen, het eerste en belangrijkste doel van de coöperatieve samenwerking, maar zij bleef niet het enige doel zoals later nog zal blijken. Voor de lezers onder u welke geen kennis hebben van het botermaken is het wellicht toch interessant en nuttig hierover iets te vernemen, teneinde het leven en werken in en rond een kleine dorpsfabriek beter te begrijpen. Het principe van het botermaken is in de loop van de tijd niet wezenlijk veranderd, alleen de werktuigen zijn gewijzigd.
De 2 teakhouten karns met een karnvermogen van elk 200 liter waren zogenoemde Holsteinse karnen. De Holsteinse karn bestond uit een teakhouten ton, welke boven iets nauwer was dan beneden en bovenin nog van een spatrand was voorzien. Zij werd gesloten met een deksel, dat uit twee helften bestond en op de spatrand lag.
De karntons zijn “kipbaar” opgehangen in een ijzeren statief, waaraan tevens de as van de karnpols was bevestigd (zie tekening). Deze karnpols bestond uit een houten as waaraan een slagraam zat.
Bij het karnen werd dit middels de aandrijfpoelie boven op de spil in een ronddraaiende beweging gebracht, waardoor het karnsel (de room) tegen de slaglijsten van de karn werd geslagen. Deze slaglijsten waren in de regel net als de duig van het vat uit één stuk gemaakt.
De vulling van de karn met room bedroeg ongeveer de helft van de totale toninhoud. Nadat door de draaiende beweging na enige tijd de boterkorrels gevormd waren, werd de inhoud, bestaande uit boterkorrels en karnemelk van elkaar gescheiden d.m.v. een zeef.
De boter werd gewassen door deze met schoon water te overgieten, waarbij aldus de resterende karnemelk- bestanddelen met het water werden afgevoerd; dit was de zgn. spoeling. Vervolgens werd de overmaat aan water eruit gekneed met een kneder. Ook de boterkneder was een van de aangeschafte werktuigen. De boterkneder bestond uit een ronde houten kneedtafel, welke in het midden hoger was dan aan de omtrek en waarboven een horizontale gegroefde houten kneedwals was geplaatst.

Het kneedbord en de wals waren elk om hun eigen as draaibaar, waarbij de tafel onder de wals kon doordraaien. Een kluit boter op het kneedbord gelegd, werd aldus met de tafel onder de wals doorgedraaid, waarbij de boter in een dunne laag over de kneedtafel werd uitgedrukt en waardoor het vocht werd uitgeperst.
Het uitgeknede vocht werd via de helling van de tafel naar de buitenrand afgevoerd. De boter moest gekneed worden totdat ze droog was. Hiervoor was het nodig dat ze meerdere malen door de kneedwals werd uitgedrukt.
Telkens rolde de botermaker de geknede boter op en plaatste ze opnieuw voor de wals, totdat er geen vochtdruppels meer uitgeperst werden.
Het vochtgehalte van de boter mocht niet hoger zijn dan 15,5% en om dit te onderzoeken beschikte men over een speciale zgn. boterbalans.
Vervolgens werd de boter in beukehouten vaten verpakt, welke aan de binnenzijde bekleed waren met perkamentpapier. Met een voerman werden de vaten dan naar het station gereden en daarvoor kocht men in oktober 1903 een waterdicht dek om de boter bij het vervoer tegen “invloeden van het weer” te beschermen.
In augustus 1906 moet het erg warm weer geweest zijn, want door een bestuurslid werd gevraagd hoe de direkteur het met de boter stelde, waarop hij “tot zijn leedwezen verklaarde niet over de middelen te beschikken om de boter na het herkarnen in een goede toestand te kunnen houden” en geeft dan meteen “nuttige wenken voor de toekomst zoals ijs, een koelkamer en een geisoleerd vertrek”.
De eerste diefstal van boter vond plaats in de nacht van 6 op 7 mei 1908 toen zes vaten boter en drie kg. verdwenen. Kennelijk was de Bavelse boter zo slecht nog niet!
De ontwikkeling van betere boterbereidingsapparatuur stond natuurlijk niet stil en na de reeds in het voorgaande beschreven Holsteinse karn, kwamen daarna de karns met een verrijdbare wagen.
De werking was in principe gelijk aan de Holsteinse karn, doch met dit verschil dat het karnen plaats vond in een horizontaal opgestelde karn met een groter karnvermogen en daarbij de mogelijkheid had om met behulp van een kneedwagen de boter in deze karn te kneden.
Daarbij werd het water fijn verdeeld in de boter gekneed. Tijdens het karnen van de room werd de kneder buiten de karn gereden.

Het kwaliteitsmerk.

Voor een goed inzicht in de problemen van de boterbereiding en de boterhandel en de plaats van de overheid daarbij, moeten wij even terug naar het eind van de vorige eeuw. De boter welke in die tijd geëxporteerd werd naar het buitenland raakte in kwaliteit achter bij wat in Denemarken werd ontwikkeld door de wetenschap op het gebied van de zuivelbereiding.
Knoeierijen met water, margarine of andere vetstoffen (reuzel) en de minderwaardige kwaliteit van de in de zandstreken bereide boerderijboter brachten eveneens de goede naam die Nederland genoot bij de kaasexport, in gevaar.
De ervaring vooral in Denemarken leerde dat men door het verwerken van grote hoeveelheden melk in een bereidingsproces twee belangrijke voordelen kon behalen. In de eerste plaats kon men de boterbereiding onder toezicht stellen van personen, die door hun ontwikkeling in staat waren de vorderingen van de wetenschap te volgen.

Afbeelding van het Rijksbotermerk op boter, verpakt in een vat van 50 kg.

En in de tweede plaats verkreeg men aanzienlijke hoeveelheden boter van gelijkmatiger kwaliteit.
Ook de regering verleende in verschillende richtingen steun door stimulering van het landbouwonderwijs en de benoeming van rijkszuivelconsulenten. Teneinde de knoeierijen tegen te gaan, kwamen in 1889 en 1900 de boterwetten tot stand.
De uitvoering van deze wetten werd in handen gelegd van de zgn. botercontrolestations (staatstoezicht) om de echtheid van de onvervalste boter te waarborgen.
In 1904 werden alle botercontrolestations onder Rijkstoezicht gesteld. Sedertdien moet alle boter onder controle worden bereid en van onderstaand waarborgsmerk worden voorzien om de echtheid te garanderen.
Het Rijksbotermerk was gedrukt in blauwe kleur op zeer dun papier. Het was geperforeerd en werd op de boter aangedrukt, zodat het niet ongeschonden daarvan verwijderd kon worden.
De boterhandelaren waren niet blij met deze maatregel. Het betekende immers dat hun knoeierijen (vermengen van zuivere boter met margarine of andere dierlijke vetten)aldus geblokkeerd werden en het einde van hun woekerwinsten in zicht was In dit licht is de navolgende passage uit de notulen van een driemaandelijkse vergadering van bestuur en commissarissen op 7 juli 1904 gemakkelijk te plaatsen.
“Verslag wordt uitgebracht over de vergadering te Breda der vereeniging van Stoomzuivelfabrieken in het W. van N. Brabant.
Uit het verhandelde aldaar bleek, dat de handelingen van de boterhandelaars van dien aard waren, dat zij den boterhandel geheel wilden beheerschen en dien vooral in het buitenland in groot gevaar brachten.
Op de boeren hunne zelfstandigheid zouden behouden, was vereeniging noodzakelijk. Daarom waren onze afgevaardigden tot aansluiting bij den Eindhovenschen Zuivelbond besloten.
Tevens kwamen we nu in het bezit van het rijks controlemerk, waarvan reeds exemplaren werden ter bezichtiging gesteld.”
Een ander fragment uit diezelfde vergadering handelde ook over boter:
“De direkteur deelt mede, dat hij een uitnoodiging tot inschrijven heeft ontvangen, voor de leverantie van boter ten behoeve van het garnizoen te Breda. Ofschoon men er weinig heil voor de coöperatie in ziet (!), wordt toch besloten, de voorwaarden aan te vragen en een opgave te doen.”
In de algemene vergadering op 30 januari 1905 geeft de secretaris van het bestuur de heer C. van der Poel “een kort overzicht over den boteroorlog, die thans gevoerd wordt, om te doen zien, in welke moeilijkheden het bestuur daardoor dikwijls gewikkeld wordt, daar zij menigmaal te kiezen heeft tussen de belangen van den boterhandel in het algemeen en tussen de belangen van de beurs der leden in het bijzonder.”
Op 7 maart 1910 werd het contract getekend met het botercontrolestation te Eindhoven en werd het rijkstoezicht dus een feit.

Boter bestemd voor huishoudelijk gebruik werd bewaard in Keulse potten en ook de leden konden zo'n pot met tenminste 10 kg inhoud laten vullen.

Nog meer over boter

De opbrengst van de boter was voor de boterfabrieken een zeer belangrijke inkomstenbron. De toename van het margarineverbruik was een doorn in het oog van alle besturen van fabrieken.
Het is dan ook geen wonder dat er maatregelen werden verzonnen om het boterverbruik onder de leden te bevorderen. Ook in Bavel deed men er wat aan. Zo werd besloten “om boter aan de leden te verstrekken tegen verminderde prijs van .f 1,20 per kg om zodoende het boterverbruik te bevorderen.
Per gezinspersoon en per week zal kwart kg boter beschikbaar gesteld worden, met dien verstande dat men 1000 kg melk per koe en per jaar, geleverd moet hebben”.
De lezer zal begrijpen dat het nogal wat administratie kostte om dit bij te houden. De afzet van de boter tot omstreeks 1920 vond plaats via de Botermijn in ‘s Hertogenbosch welke in 1900 was opgericht voor de Coöperatieve Roomboterfabrieken.
Daarna werd de boter afgezet via de Coöperatieve ZuivelExportvereniging “Brabant” welke 1 januari 1921 werd opgericht en waarvan Ir.W.A. van As direkteur was.
Hij was ook een grote promotor van het verbeteren van de kwaliteit. Zo verscheen van zijn hand een boekwerkje:”Handleiding voor het theoretisch onderricht in het Melken en de Melkbehandeling aan de Boerderij, ten gebruike bij de practische melkcursussen van den Brabantschen Zuivelbond (B.Z.B.) Breda, 1921.
28 blz.” Dit was natuurlijk niet zo verwonderlijk daar de heer van As als geen ander wist welke afzetproblemen er ontstonden wanneer de kwaliteit te wensen overliet.
Genoemde exportvereniging exploiteerde in Roosendaal een botermijn, waar zuivere onvermengde roomboter werd verkocht. De ingezonden boter diende verpakt te zijn in nieuwe beukehouten vaten of in manden aan kluiten van 5 of 10 kg.
In het bestuur van de exportvereniging hadden zitting (jan.1925) de heren:
G.J. van Poppel, Gilze;
A.J. van Oirschot, Oosterhout;
F.W. van der Vegt, Dongen;
Z.M.J. van der Poel, Bavel;
J. Paulussen, Bergeijk.
Zoals in het voorgaande reeds is opgemerkt mocht de kwaliteit van de boter nog wel op een wat hoger niveau getild worden. Bij de zuivelexportvereniging begreep men ook dat verschil in kwaliteit het beste in geld vertaald kon worden.
Zo voerde men boterkeuringen in waarbij het verschil tussen le en 2e klas boter 3 cent per kg bedroeg. De minder goede kwaliteit van de boter heeft vaak als onderwerp op de agenda geprijkt.
Dit gold niet alleen voor Bavel, maar voor vele fabrieken. De door de boeren geleverde melk was daar grotendeels debet aan, terwijl de soms versleten en ondeugdelijke apparatuur het euvel nog versterkte. De grootste rivaliteit tussen de fabrieken ontstond via de door de Brabantse Zuivelbond georganiseerde boterkeuringen, waarbij men een diploma of medaille kon behalen wanneer op de 14-daagse boterkeuringen gedurende een jaar lang gemiddeld een zeker aantal punten was behaald. Zo kon er ook een gouden medaille behaald worden door die fabriek die gemiddeld het hoogste aantal punten scoorde.
Uiteraard was deze onderlinge competitie slechts bedoeld om de kwaliteit van de boter op te voeren, terwijl ook de botermaker van de best geklassificeerde fabriek zijn vakmanschap nog eens uitdrukkelijk kon onderstrepen en dus als een autoriteit werd beschouwd.
Wanneer een fabriek tien maal een getuigschrift had behaald, dan werd een “Eere Diploma” uitgereikt. Van “St. Brigida” zijn geen getuigschriften of erediploma's bewaard gebleven, wel echter van “St. Laurentius” te Ulvenhout en van “St. Martinus” in Princenhage.
Onderstaand staatje geeft een overzicht van het aantal behaalde getuigschriften/medailles op de boterkeuringen van de Brabantse Zuivelbond tot en met 1954.




1.  Prinsenbeek. 37
2.  Etten. 35
3.  Dongen. 30
4.  Princenhage. 27
5.  Rijsbergen. 25
6.  Gilze. 22
7.  Rijen. 21
8.  Oosterhout. 20
9.  Ulvenhout. Ï7
10. Chaam. 17
11 . Bavel. 15
12. Teteringen. 12

Een te verdienen medaille

Hieruit blijkt dat de buurtfabrieken toch wat hoger scoorden dan Bavel, waarschijnlijk als gevolg van betere apparatuur, grotere zorg en deskundigheid op de fabriek zelf. Dit zegt overigens niets over de inzet en kwaliteit van de Bavelse botermakers Jan en Piet Musters, vooral wanneer naast de boterfabricage ook de melkinrichting een belangrijk element gaat worden. Hierdoor veranderde langzaam het aandachtsgebied van bestuur en direktie, zeker ook voor wat betreft het kopen van nieuwe machines. Een gulden kan maar één keer uitgegeven worden.

De verkoop van melk.

In 1919 werd voor het eerst de vraag aan de algemene vergadering voorgelegd om aan de fabriek melk te gaan verkopen aan particulieren, omdat daarmee flinke winst te maken zou zijn.
De commerciële aspiraties zaten toch niet zo diep, want de zorg om toch een behoorlijk kwantum ondermelk op de boerderij terug te krijgen voor de opfok van kalveren en zeugen won het van de vermoedelijke opbrengst van de melk- verkoop. In een daaropvolgende bestuursvergadering vroeg direkteur van der Poel aan het Bestuur wat zijn standpunt was inzake de melkverkoop.
Wij citeren dan:
“Het Bestuur meende dat het niet op onzen weg lag om een detailhandel in melk te beginnen van uit de fabriek, maar het zich in verbinding stellen met enkele omliggende fabrieken en een centrale plaats te stichten te Breda om van daar uit de kleinhandel ter hand te nemen. Het besluit werd daarom genomen om bij enkele omliggende melkinrichtingen een kijkje te gaan nemen wat daar de resultaten waren.”
Waarschijnlijk leefde de samenwerkingsgedachte bij de buurtfabrieken niet zo , dat men heil zag in de Bavelse ideeen en men zal ook zeker niet te koop hebben gelopen met de resultaten van de “kleinhandel”. Wat de uitslag geweest is van “de kijkjes” weten wij niet, maar wel is zeker dat het Bestuur op 20 mei 1921 besloot om W. Vlamings aan te stellen als melkbezorger in het dorp Bavel, waarmee hij dus de eerste was.
Voorlopig ontving hij een provisie van 1 cent per liter melk en een halve cent voor een liter karnemelk of ondermelk. Overigens vond voordat Vlamings melkbezorger werd, reeds verkoop van melk plaats aan de fabriek, maar deze werd toen gestopt.
Daar de melkverkoop goed liep kwam kort daarna ook P. van Ginneken erbij als melkbezorger. Begin 1923 vroeg de direkteur of de tijd niet gekomen was om zelf pap te gaan bereiden, “om reden dat dit artikel in de zomermaanden veel aftrek heeft en de melkrijders ze bij andere fabrieken moeten betrekken”.
Soms kwam het bestuur wel eens in een moeilijke situatie te verkeren zoals in het geval van de mogelijke overname van een melkzaak van Takx, waarbij laatstgenoemde inclusief melkwagens en paard een som bedong van f 4.000,-. Er werd uitvoerig over gesproken of het met de coöperatie die kant wel uit moest. Toch werd besloten de direkteur vrijheid van handelen te geven.
De koop werd gesloten voor f 3.500,zonder wagens en paard, maar wel werden de twee melkrijders gecontracteerd voor een minimumloon van resp. f 25,- en f 28,- per week.
Het uitventen van melk in de twintiger jaren gebeurde op vele manieren, zoals met een duwkar, een hondekar en soms ook met paard en wagen. Ook Piet van Ginneken ventte met een hondekar. Zo heeft Piet eens ontslag gevraagd, omdat zijn loon te laag zou zijn. Het bestuur zat er eigenlijk wel wat mee en wilde hem “een weinig tegemoet komen, door hem een kleine vergoeding te geven voor zijn hond”. En zo kreeg Piet f 0,75 per week als tegemoetkoming in de kosten van onderhoud van zijn hond!
Dat er soms aardige vragen gesteld werden door de leden vinden wij in het volgende fragment:
“ of er ook verdiend wordt met het laten lopen van melkwagens waarop de direkteur antwoordde dat de bruto winst zoo wat om de f 5000,- bedraagt, waarop door de leden werd gevraagd of het niet mogelijk is om ook de netto winst te berekenen.”
Of er aan de pap welke de leden van de fabriek konden betrekken in kannen van 5 1. nog iets te verdienen viel tegen 4 cent per 1. moet ernstig betwijfeld worden.
In de inleiding is reeds gesproken over de voortdurende strijd die om de produkten werd gevoerd en over het feit dat men te weinig begrip had van de markt. Welnu dit manifesteerde zich door de mening in het bestuur, dat men de zelfstandige slijters kwijt wilde.
Men zou ze voor de keus plaatsen: ofwel rijden in loondienst van de fabriek, ofwel “opdoeken” d.w.z. men zou dan de toelevering van melk stopzetten. Daarmee ging men volledig voorbij aan de mogelijkheid dat deze zelfstandige melkhandelaren naar een andere melkinrichting zouden uitzien om daar melk te betrekken.
Aangezien samenwerking of onderlinge afspraken niet bestonden, en zo ze al bestonden niets om het lijf hadden, was de overstap naar de concurrent een eenvoudige zaak. Verder besloot men ook om bij de eigen melkventers in loondienst het grondloon maar te laten vervallen en ze een provisie te geven van 2 cent per liter en ze daarmee dwingen meer melk te gaan verkopen. Dit laatste besluit is nimmer uitgevoerd.

Reclame.

In het midden van de 30er jaren werd men zich steeds meer bewust dat het verkopen van melk door de melkrijders (venters) meer was dan met een kar of bakfiets volgeladen met flessen door de straten te rijden. De concurrentie van de omliggende melkinrichtingen was groot. Prijsonderbiedingen van de fabrieken in Ulvenhout, Princenhage en Made in Breda kwamen regelmatig voor.
Zo keek men ook van elkaar de kunst van het reclame maken af. Een van de uitingen in deze zin waren de uniformen. Zo sprak men van: “een modelpak of melkpak welke een mooier cachet gaven en reclame was voor de produkten”. Daarom werden in 1936 manchesterpakken voor de melkrijders aangeschaft voor een prijs van f 17,50 per stuk, welke uitstekend bleken te voldoen en voor het eerst door P. van Ginneken werden geleverd.
Ook in geschrift maakte “St. Brigida” reclame voor haar melk. De afbeelding van een bedrukt vloeiblad is één van de voorbeelden.
Een staaltje van antireclame vinden wij in september 1954. De zure melk die wel eens aan de fabriek kwam, was volgens een eerder genomen besluit, nog wel van dien aard (dacht men) dat er beter boter uit gemaakt kon worden voor de leden tegen een gereduceerde prijs.
Er waren ook leden, die hier handel in zagen en zij schroomden niet deze boter in de handel te brengen. Toen het bestuur dan ook klachten hoorde over slechte Bavelse boter en de oorzaak aan het licht kwam, was het afgelopen met het aan de fabriek houden van zure melk.


Inventaris-en-investeringen.

In de bestuursvergadering van 31 april 1909 werd:
“de Heer Directeur opgedragen een stel nieuwe stoelen in het kantoor te plaatsen en is hem op zijn verzoek een vergunning gegeven tot het aankopen van een bureau ministre tot berging der verschillende paperassen.”
Een eikehouten bureau met afmetingen 121 x 79 cm werd vlak voor de sloop eind 1979 door de schrijver in een desolate toestand gevonden in een reeds halfgesloopte schuur van de vroegere direkteurswoning. Vermoedelijk gaat het hier om hetzelfde meubel als waarvan in de notulen sprake is. Het met potlood geschreven jaartal 1911 en de naam J.v. Ginkel wijzen althans in deze richting. De Raad van Toezicht hield kennelijk ook toezicht op de inventaris van het kantoor, want zij verzocht het bestuur om daar een kruisbeeld op te hangen. Het bestuur droeg vervolgens “den direkteur op om hiervoor zorg te dragen.”

Het gerestaureerde bueau uit 1911

Tot aanschaf van nieuwe apparaten werd pas besloten wanneer ze niet meer te repareren waren, wanneer hun capaciteit te klein was geworden, of wanneer ze de kwaliteit van de boter of de room nadelig beïnvloedden. Wij volstaan met een (overigens onvolledige) opsomming van een aantal zaken.
1909: roomrijpers (bakken om de room in te verzuren)
1916: uitdrupapparaat voor melkbussen op de melkontvangst. het boren van een nieuwe waterput (de eerst geboorde put gaf te weinig water)
1917: bouw van een bergplaats om lege botervaten op te slaan een schrijfmachine straatkeien ter bestrating van het fabrieksterrein
1920: aanleg stoomverwarming in het kantoorlokaal
1922: stoommachine
1926: een Holsteinse karn ijzeren tegels op de melkontvangst
1927: een vuilbepalingstoestel voor onderzoek van de reinheid van de geleverde melk
1930: telefoonaansluiting (tel.nr.2)
1933: een koelmachine een volle melk pasteur
1934: een flessenspoelmachine
1935: een ontijzeringstoestel voor de waterbehandeling pasteuriseerkast waarin de flessen melk worden gepasteuriseerd na het vullen een vulmachine voor flessen rekenmachine met tien jaar garantie!
1936: een ondermelk en roomkoeler
1938: volle melkbascule roombakken
1939: centrifuge
zuurselmelkpasteur pekelleidingnet en zoetwaterkoeler Wij komen nog even terug bij de aanschaffing van de stoommachine in 1922. De vraag was namelijk welke vorm van energie men moest kiezen om de fabriek te drijven. Er werden drie mogelijkheden besproken: het aanschaffen van een nieuwe stoomketel, de karn electrisch aandrijven met een nieuwe generator, ofwel de fabriek geheel op electriciteit laten draaien.
Nadat door de Technische Dienst van de Nederlandse Zuivelbond en de bouwcommisssie van de Brabantse Zuivelbond een rapport was uitgebracht bleek dat het drijven van de fabriek met electriciteit “veel te duur uitkwam”.
“Trouwens electriciteit is voor een zuivelfabriek in het algemeen af te raden daar de afgewerkte stoom voor verschillende doeleinden goed benut kan worden”. De stoommachine was de leverancier van energie zoals wij hiervoor al hebben gezien en daar deze “in een slechte conditie” verkeerde en “de werking hiermede dagelijks gevaar opleverde, de reparatie f 1200,- tot .f 1300,- zou bedragen en de machine vermoedelijk 2 a 3 weken naar de machinefabriek moest", werd tenslotte besloten een nieuwe stoommachine aan te schaffen.
Op, vragen uit de vergadering of niet beter op goedkopere tijden gewacht kon worden werd geantwoord “dat wij al jaren gewacht hadden en het gemis aan betere installatie dagelijks gevoeld werd”. Uit het investeringsoverzicht zien wij dat met name vanaf 1933 veel apparaten zijn aangeschaft met het doel een betere kwaliteit van de gepasteuriseerde flessenmelk te krijgen.
Bavel was met name beducht voor hetgeen de melkinrichtingen “St. Martinus” in Princenhage en “De Hoop” in Breda aan moderne installaties op dit gebied hadden geplaatst. De concurrentie kon met recht gevreesd worden, te meer daar de omzet van “St. Brigida” in vergelijking met de eerder genoemde bedrijven klein was, eigenlijk te klein.
De documentatie over de technische inventaris is vanaf ca 1940 geheel bewaard gebleven, inclusief de correspondentie daarover. In bijlage 6 is een opsomming gemaakt van de aanschaffingen. In de algemene vergadering werd steeds verslag gedaan over deze zaken, of er werd toestemming gevraagd aan de leden om tot investeren over te gaan. Nergens is mij gebleken dat een dergelijk verzoek ooit werd geweigerd.

Over mensen en hun werk

Het is niet meer precies na te gaan hoeveel mensen er in het begin van 1900 werkzaam waren op de fabriek. Op grond van kennis van de zuivelbereiding uit die tijd mogen we aannemen dat naast de direkteur, beslist niet meer dan 3 man personeel betrokken zullen zijn geweest bij het ontromen, melkwegen en botermaken, waarbij ook aangetekend dient te worden dat halve dagen werken geen uitzondering was.
Het aantal werktuigen was enerzijds beperkt en anderzijds waren ze niet ingewikkeld in werkwijze of bediening zodat met wat aanwijzingen van de direkteur het werk snel geleerd kon worden. De functionele bezetting was vermoedelijk als volgt:
1 melkweger/botermaker
1 machinist/stoker/schoonmaker
1 algemene hulp
Deze veronderstelling wordt in de notulen van een bestuursvergadering (3 feb. 1904) deels bevestigd door de zinsnede: “Op verzoek der beide werklieden van fabriek komt het bestuur overeen hun weekloon met 50 ct te verhogen en alzoo te brengen op f 7,- welke verhoging zal ingaan op 1 Maart 1904.” In de latere jaren veranderde het aantal werklieden. Zo vernamen wij van Piet van Ginneken dat, toen hij in 1923 op de fabriek als 15-jarige jongen begon, er de volgende personen werkten:
Jan Musters, botermaker
(Jac)Cobi van Gils, machinist/stoker
Adr. Diepstraten, melkweger
Willem Vlamings, melkventer
Joske Jansen, volontair of assistent
Hierbij kan men dan ook nog tellen de hulp die door de boeren geleverd moest worden bij het aanvoeren van de bussen op de melkontvangst, het leegstorten daarvan in de basculebak en het verplaatsen van de bussen naar de ondermelk/karnemelktapper.
Verder dient men te bedenken dat de functies niet zo strikt gescheiden moeten worden gezien als thans het geval is. Iedereen was bij het totale werk betrokken. De direkteur evenwel gaf persoonlijk leiding, want hij was tenslotte de enige man met een allrounde ervaring en een bepaalde scholing. De boekhoudkundige zaken en het vet- gehalteonderzoek van de geleverde melk vielen onder zijn directe zorg.

De directeuren

Het kon bijna niet anders of de initiatiefnemers, welke meestal ook zitting kregen in het bestuur, moesten het beheer van de fabriek toevertrouwen aan een direkteur, daar zij zelf niet de tijd hadden en de kennis bezaten om een fabriekmatige verwerking van de melk te leiden. In die tijd kwamen veel “zuiveldirecteuren” uit het noorden van het land, met name Friesland.
De eerste direkteur in Bavel werd Jan van Geldrop, afkomstig van Tubbergen (O). Hij vestigde zich op 5 juni 1901 in Bavel, juist 20 jaar oud.
Dat een direkteur over beheer en bevoegdheden nogal eens een ander oordeel had dan de bestuurders mogen blijken uit opmerkingen als:
“ het beheer der zaken nagenoeg geheel aan zich had gehouden en in vele gevallen wat al te zelfstandig optrad, zoodat het bestuur noch in betrekking der statuten, noch tegenover de vereeniging verantwoord was”. Het oprichtingsbestuur nam bij de eerste signalen daarvan dan ook de nodige maatregelen en bepaalde dat voortaan bij een direkteursbenoeming de afspraken bij een kontrakt zouden worden vastgelegd (kennelijk was er dus niets schriftelijk overeengekomen!).
Hierdoor zou ook geen discussie meer kunnen ontstaan hoeveel boter, volle melk, steenkool en petroleum vrij gebruikt mocht worden. De mogelijkheid van de direkteur om van de ene op de andere dag op te stappen wanneer het bestuur niet aan bepaalde verlangens tegemoet kwam, kon aldus voorkomen worden. Ook werden voorzorgen genomen met betrekking tot het beheer van de jonge coöperatie. Zo werd besloten dat voortaan:
“den 6e van elke maand het bestuur zou vergaderen, waarbij de direkteur rekening en verantwoording zal doen over de afgelopen maand, het register van de leden door de secretaris zal worden bijgehouden, omtrent den 23ste van iedere maand door president, penningmeester en secretaris de kas zal worden opgenomen de dubbelganger van alle sleutels der fabriek, ook van dien van de brandkast zullen berusten bij den president, opdat het bestuur zich ten allen tijde toegang kan verschaffen tot wat de coöperatie betreft.”
Erg lang heeft van Geldrop het in Bavel niet uitgehouden, want op 30 juli 1903 vertrok hij naar Teteringen.
De tweede man die het beheer voerde was Teije van den Vleugel, afkomstig uit Beek en Donk, doch een geboren Fries uit Gaast. Hij was 30 jaar toen hij deze functie aanvaardde.
Hij woonde in Bavel op nr.B 41a. Wij konden van hem geen foto bemachtigen, evenmin hebben wij veel omtrent zijn persoon en zijn werk in Bavel kunnen achterhalen.
Voor zover echter uit de notulen kan worden gedestilleerd was hij een man die zijn vak redelijk beheerste en met het bestuur geen grote problemen heeft gehad. Blijkbaar genoot hij toch een zeker vertrouwen. Op 1 november 1906 vertrok hij naar Wanroy, waar hij tot het begin der veertiger jaren aldaar direkteur was van de zuivelfabriek.
Zacharias van der Poel werd zijn opvolger. Per gelijke datum trad zijn vader af als secretaris van de coöperatie. Wijs geworden door ervaringen met de heren van Geldrop en van der Vleugel besloot men met de heer van der Poel een schriftelijke overeenkomst aan te gaan, waarin zijn verplichtingen werden vastgelegd.
Van der Poel heeft gedurende een lange reeks van jaren het gezicht van “St. Brigida” bepaald. Van hem wordt ook wel gezegd dat hij een z.g. ”heredirekteur” was. :Hij komt over als een integere man, die zijn best heeft gedaan de zaak naar best vermogen te beheren.
Met de ondermelkaffaire heeft hij echter toch wat goodwill onder de boeren verspeeld. Van Piet van Ginneken vernamen wij dat hij als vervoermiddel een motorfiets bezat, die in de machinekamer gestald stond. Later was hij één van de eersten in Bavel die een auto had.
Z.M.J.van der Poel, werd geboren te Bavel op 31 december 1885. Hij was eerst gehuwd met Jacoba Anna Oonincx uit Bavel, geboren op 26 december 1884, overleden 20 maart 1917. Hij hertrouwde te Steenbergen op 15 oktober 1925 Cornelia Johanna Obels, geboren te Steenbergen 6 juni 1887.
Het salaris van de direkteur was niet elk jaar een punt van bespreking en wij kunnen daarover dan ook niet veel terugvinden. Duidelijker is een besluit van 3 maart 1927. Het jaarsalaris bedraagt dan .f 2.500,-, bovendien ontving hij nog 1/8 % premie over het uitbetaalde melkgeld aan de leden in enig boekjaar, plus .f 100,- omdat aan de fabriek een melkinrichting verbonden was.
Voorts werd hem nog een toelage van f 100,- in het vooruitzicht gesteld “zoo hij een diploma behaalt”. Verder werd bepaald dat hij 10 % van zijn salaris zou moeten besteden om een levensverzekering af te sluiten.
Ter vergelijking moge nog dienen dat de assistent C. Snoek op grond van zijn “gemotiveerd schrijven” een verhoging van zijn salaris werd gegeven dat bepaald werd op f 16,- per week ofwel .f 832,- per jaar.
Eind 1941 is de heer van der Poel door ziekte niet meer in staat zijn functie uit te oefenen. Op 4 januari 1942 wordt de heer C. van Opstal uit Dongen aangetrokken om tijdelijk de plaats van de direkteur in te nemen “daar deze nog altijd ongesteld is”. Hij gaat direct over tot het verplaatsen van “eenige machinerieën.”
Het is duidelijk dat deze aanpak noch bij Van der Poel noch bij het personeel in goede aarde viel. Trouwens het personeel was toch al niet bepaald gecharmeerd van de werkwijze van Van Opstal want “hij staat overal bij en hij loopt maar met een thermometer in de hand”.
Wij lezen dan verder:
“Dit hoort ons bestuur wel graag, want aan de leiding in de fabriek hapert het.”
Op 18 mei 1942 neemt de heer van Opstal afscheid van het bestuur en dankte voor de aangename wijze waarop hij met hen heeft mogen samenwerken. Deze dank was wederzijds, want Van Opstal ontving nog een extra bedrag van .f 50,- (het weeksalaris was f 35,-).
Enkele weken later was de heer van der Poel opnieuw genoodzaakt op medisch advies zijn werk neer te leggen. Het bestuur wilde Van Opstal wel terug, maar Van der Poel voelde daar niet voor. Het bestuur wilde de direkteur ook niet voor het hoofd stoten en zag uit naar een tijdelijk kracht.
Voor 3 maanden stond daarop de Brabantse Zuivelbond een ambtenaar af (de heer C. de Jongh) om Bavel uit de nood te helpen.
Op 19 september 1942 overleed Zacharias van der Poel in het St. Antoniusziekenhuis te Utrecht op de leeftijd van 56 jaar. Daarmee ontviel de Bavelse gemeenschap een beminlijk mens. Mevr. v/d Poel Obels verhuisde enige jaren (december 1944) na het overlijden van haar man naar Roosendaal.

De laatste direkteur.

Op 11 oktober 1942 wordt Cornelis Christiaan de Jongh benoemd tot direkteur. Hij werd op 9 maart 1907 in Den Hout geboren. In 1927 startte hij zijn loopbaan in de zuivel als analist bij de Brabantse Zuivelbond. Sedert mei 1930 was hij belast met de administratieve en technische controle van bij de zuivelbond aangesloten fabrieken. Aldus was hij zeer goed op de hoogte hoe een zuivelfabriek in die tijd behoorde te functioneren.
Bij zijn officiële aanstelling zei de voorzitter het volgende tot de nieuwe direkteur:
“Ik kan U de verzekering geven dat U een bestuur naast U krijgt, dat, wanneer U mededeelzaam zijt omtrent de groote vraagstukken van verschillende problemen, die zich in onze coöperatie voordoen, U een bestuur naast U hebt, dat met krachtige hand en de volle medewerking (U) ter zijde zal staan, om uwe talenten te ontplooien, uwe toekomstdroomen te verwezenlijken en onze coöperatie onder uw kundige leiding te doen groeien en bloeien.”
Bepaald gemakkelijk heeft hij het niet gehad. Midden in de moeilijkste tijd van de oorlog nam hij het roer over van Van der Poel. In de jaren van de wederopbouw met een grote schaarste aan allerlei materialen, en een zuinig bestuur was het geen sinecure het bedrijf draaiende te houden. Daarbij kwam ook nog het groeiende besef dat een intensievere samenwerking tussen de coöperaties noodzakelijk was, maar daarover meer in een ander hoofdstuk.
Wanneer wij terugdenken aan de tijd van Cees de Jongh dan was hij een heel andere direkteur dan Van der Poel , die graag en zoveel als mogelijk was, zelf in de fabriek werkte.
's Morgens voordat de melkontvangst begon, was De Jongh in zijn gele stofjas en op klompen present om persoonlijk het ontromen en pasteuriseren voor zijn rekening te nemen.
Je kwam als volontair of assistent niet aan de (melk)bak. Hij was geen man van veel woorden en je moest hem wel goed kennen om te weten wat hij met gebaren te verstaan gaf.
Het 14-daagse onderzoek op vetgehalte van de door leden-leveranciers geleverde melk was een solistisch gebeuren; dit was eveneens het geval met het bepalen van de kwaliteit van de melk. Wanneer alle melk tegen het middaguur verwerkt was en de pasteur en de centrifuges schoongemaakt moesten worden, dan nam de machinist Piet Havermans dit werk over.
Hij bemoeide zich dan verder uitsluitend met “het schrijfwerk", d.w.z. de boekhouding en de uitbetaling van het melkgeld en de lonen.
De melkventers die in de loop van de middag klaar waren met venten brachten in administratieve zin ook nogal werk mee, zoals het retour schrijven van de niet verkochte produkten en het opnemen van de bestelling; dit werk liet hij graag over aan de volontair of assistent.
Echter, als er kleinverpakking van boter gemaakt werd, was hij er altijd bij, om de voorgevormde blokjes boter in het wikkel te rollen, waarin hij een niet te evenaren vaardigheid bezat.
Hij was een ijverige en toegewijde direkteur, doch wat meer toekijken en controleren zou hém niet ontsierd en de coöperatie waarschijnlijk méér opgeleverd hebben, zonder hiermee ook maar iets af te doen aan zijn persoonlij ke kwaliteiten.
Kijken wij nog even terug naar de handgeschreven arbeidsovereenkomst van Van der Poel en vergelijken wij die met de 8 foliovellen van de overeenkomst tussen het bestuur en de Jongh, waarin zijn werkzaamheden, verantwoording, salaris en tal van andere zaken omschreven waren, dan is er in dit opzicht ook een geweldige ontwikkeling geweest.
Cees de Jongh is tot 26 november 1958 direkteur geweest van “St. Brigida” en sloot daarmee de rij van beheerders. Na de fusie met “St. Martinus” kwam hij in dienst van de Stichting Regionaal Orgaan voor de Melkhygiëne, welke instantie toezicht hield op een juiste uitvoering van het kwaliteitsonderzoek van de door de boeren geleverde melk.
Na zijn pensionering in maart 1972 geniet hij gelukkig nog steeds van zijn vrijheid en rust aan de Pastoor Vermuntstraat te Ulvenhout.

Het personeel

Wij zullen er niet in slagen een volledig beeld te schetsen van alle personele aspecten, doch slechts een greep doen om een globale indruk te verkrijgen. Aan de direkteuren is een apart hoofdstuk gewijd, maar een groep die zeker niet onvermeld mag blijven, wordt gevormd door degenen die wij nu het kader noemen. In die tijd waren dat de zgn. “volontairs” en “assistenten”.
De volontairs waren lieden welke zich door cursussen en praktische ervaringen aan het voorbereiden waren om te zijner tijd de assistent van de direkteur te worden en welke hem bij zijn afwezigheid moesten waarnemen. Later kon men dan in aanmerking komen om ergens direkteur te worden van een plaatselijke fabriek. De eerste volontair werd in 1919 aangenomen, hij heette Hendriks en was afkomstig uit Mook.
Voor zover wij konden nagaan hebben onderstaande personen de direktie als assistent of als volontair terzijde gestaan.
Jos Jansen, Princenhage
Fons Adams, Chaam
C. Snoek, Teteringen 6 okt. 1926 - sept. 1929
? van den Acker, Esch okt. 1929 - sept. 1930
H. Graumans, Teteringen 1937 - 1945
J. Luijckx 1 mrt. 1945 - juli 1947 ?
Klumpers sept. 1947 - sept. 1951
A. Sprangers sept. 1951 - juli 1952
P. Panis juli 1952 - 12 jan. 1957
J. Nelis 7 jan. 1957 - 29 juni 1957
B. Hulshof 6 juli 1957 - 21 dec. 1957

In het voorgaande hebben wij al eens getracht aan te geven hoeveel mensen er op een boterfabriek zoals in Bavel het werk uitvoerden. Het enige wat met zekerheid is te zeggen, blijkt uit een fragment uit de notulen begin 1940. Bij het vaststellen van het weekloon zien wij dan het volgende: Musters f 27,-, Poppelaars f 25,-, Stevens f 24,-, A. Diepstraten f 22,-, P. Havermans f 22,- en M. Michielsen f 22,-. Naast deze personen waren er nog de melkventers, die een minimum loon kregen van f 24,20.
In vacatures op de fabriek werd voorzien door een zeer eenvoudige alsmede doeltref-fende werving. Door vermelding van de baan met het daarbij behorende weekgeld zo-als dat toen heette op een vel papier aan te plakken op de deur van de fabriek of op de melkontvangst, waren snel voldoende gegadigden voorhanden om een keus te maken. In sommige gevallen plaatste men ook wel eens advertenties in het Dagblad van Noord-Brabant en Dagblad De Stem.
De duurtetoeslag is beslist geen term van onze tijd, want in 1916 werd al besloten om het personeel een duurtetoeslag van 0,50 per week toe te kennen. Bij een weekloon van f 10,- was dit procentueel gezien niet gering. Het bestuur stond in die tijd zo duidelijk onder druk om de lonen op te trekken dat de direkteur in een bestuursvergadering zei :
“ dat het personeel der fabriek wederom verlangend naar verhooging van week geld uitziet en voegde daarbij de wensch ook eens aan het salaris van de Directeur de aandacht te willen wijden.”
Het maken van een goede kwaliteit boter in veel Brabantse fabrieken werd mede ook gestimuleerd door het personeel een premie toe te kennen. Eind 1918 besloot men ook in Bavel tot betaling van deze premie over te gaan. Zij werd bepaald op .f l,- voor le klas en f 0,50 voor 2e klas boter. Later werden deze premies verhoogd. Na een aantal jaren loonsverhogingen gekend te hebben, veranderden ook in de twintiger jaren stilaan de tijden en in december 1922 “werd geruime tijd van gedachten gewisseld over het loon van het werkvolk der fabriek en werd eindelijk besloten tot verlaging van het loon met f 2,- per week en is thans nog .f 20,- per week.”

Een proefwerk

Voor een boekhoudkundige kracht op het kantoor waren vier sollicitanten opgeroepen. Wij schrijven 24 augustus 1954. Vóór de aanvang van de bestuursvergadering moesten zij, om hun capaciteiten te tonen “een proefwerk maken in den vorm van optellingen en melkprijsberekeningen De keus werd voorlopig bepaald, maar “ J. Boomaars Chrzn. zal gevraagd worden enige werkzaamheden te komen verrichten” voor het geval de voorlopige keus geen definitieve zou blijken te zijn en dit laatste was het geval.

Een interview met

Van een interview is eigenlijk niets terecht gekomen, toen wij met Piet van Ginneken uit de Kerkstraat over zijn eerste stappen en de latere ervaringen in de venterij spraken. Verhalen en annecdotes werden zonder tijdsbesef in een willekeurige volgorde aan elkaar geregen, als waren het de weesgegroeten van een rozenkrans. Wij zullen trachten er enige samenhang in te brengen. Wie kent hem niet, deze haast legendarische figuur, die altijd “op de baan” zat om zijn melk en pap aan de vrouw te brengen en in was voor een kwinkslag?
In 1923 toen uitbreiding van het personeel nodig werd, was het Adr. Diepstraten die tegen de direkteur zei:
“Gaot d'r eens kijken bij Van Ginneken, daor lo'pt ter nog ene rond.” Zo kwam direkteur van der Poel kijken en werd met moeder van Ginneken afgesproken, dat Piet de andere dag al aan de slag kon.
Hij herinnert zich nog: ”In een blauw kieltje en met een blauw broekske kwam ik op de fabriek”. Hij werd aangenomen voor .f 10,- in de week en van 8 tot 1 uur moest hij in Bavel melk rondbrengen. Er waren maar vier artikelen: losse melk voor 8 cent, karnemelk voor 3 cent en verder “goeie botter” en Blue Band. Later kwam daar karnemelksepap bij en melk in beugelflessen. Het geld dat hij van zijn klanten beurde gaf hij ‘s middags aan de direkteur af en werd door Piet niet geteld. Alles ging in goed vertrouwen.
Als hij ‘s middags op de fabriek was moest hij altijd een uur lang flessen spoelen, eerst met een handpoetser en later met een machientje waar een roterende borstel op zat. De flessen werden vervolgens omgespoeld in schoon water en op een uitdruprek gezet. Dit leverde dan 75 cent per week extra op, waar, naar zijn zeggen z'n moeder erg blij mee was. Piet weet nog goed dat hij bij de vader van de direkteur op school (hij was het hoofd) heeft gezeten, en op de bewaarschool bij juffrouw Dien, die later met meester Huybregts trouwde. Ook moest hij dikwijls de botermaker Jan Musters helpen met het maken van pakjes boter in wikkels, hele kilostukken, ponden en halve ponden. Ook konden de mensen Keulse potten laten vullen met ongezouten boter.
Vrijdagsmiddags als de direkteur naar de boterkeuring was, moest er in de fabriek en op het kantoor geboend en geschrobd worden. Op het kantoor lagen “oprolmatten” en daaronder vond hij eens een rijksdaalder. Nadat hij deze aan de direkteur had teruggegeven, vertelde hij thuis dit voorval, waarop hij van zijn moeder goed ingeprent kreeg :”dat doen ze om jou te proberen, houd hem nooit, want dan jagen ze jou weg.”
Ja en als je jong bent kun je het stoeien natuurlijk niet laten. Als Van der Poel dit zag dan moesten ze van vijf tot half zes blijven om de fabriek te witten!!!
De dinsdag was een dag dat hij er altijd vroeg uit moest, want dan begonnen ze om vier uur al te “botteren” en dan moest hij meehelpen. Als de boter op de wekelijkse keuring een kwaliteit la behaalde, dan leverde dat .f 2,50 per week extra op, een lb: f 1,-. Het hele personeel kwam daarvoor in aanmerking. Als de direkteur jarig was, kregen de vier man die er werkten tegen 12 uur twee borreltjes en een sigaar, maar omdat Piet nog maar “'ne brak” was kreeg hij bij deze gebeurtenis een Kwatta. Maar eens kreeg hij een proces van rijksveldwachter van Dorst, omdat zijn hond wat bloed aan zijn staart had. En op de verjaardag van de direkteur moest hij er voor naar het kantongerecht want hij had het laten “voor” komen. Hij kreeg slechts .f l,- boete. Daarna had hij in een café een paar citroentjes gedronken en ging terug naar de fabriek, waar de anderen tegen hem zeiden dat hij de suiker nog in zijn baard had zitten. Voortaan kreeg hij ook een borreltje in plaats van een reep Kwatta.
Ongeveer 20 jaar lang heeft Piet in Bavel gevent. Eerst met een hondekar en later met een pony. Willem Vlamings reed met een duwkar rond, en toen hij wegging volgde Piet hem op. 

St. Brigida” voorzag ook een aantal hoveniers van melk.(Hoveniers waren boeren die enkele koeien hielden waarvan zij de verse melk aan huis verkochten. Daar zij te weinig grond aan huis hadden bleven de koeien een heel jaar lang op stal staan.) Kwamen zij dan melk tekort dan werd dit door de omliggende fabrieken geleverd in bussen. Zo heeft Piet de hoveniers vaak melk gebracht. ‘s Zomers moest dit ‘s morgens vroeg gebeuren en ‘s winters geschiedde dat in de namiddag. Vermeulen, Feskens, Toon Bastiaansen, Antoon Oomen in de Valkenierslaan en Joosen in de Prins Hendrikstraat waren vaste klanten voor hem. Later werd dit kwantum zoveel dat er speciaal een wagen voor reed.

In Bavel had hij altijd een vast loon, ongeacht wat hij verkocht. De provisie werd in-gevoerd bij de fusie met “St. Martinus”. Soms moest hij bij de klanten wel eens wat nabrengen en daar hij zelf nog geen fiets bezat, mocht hij die van Van der Poel wel lenen. “Het was een deftige fiets met dubbele remmen en eigenlijk wat te hoog voor mij”, aldus Piet.
Maar als hij dan ‘s zondags ging vrijen leende hij de fiets van de direkteur daarvoor ook. Een enkele keer kwam Piet op de geleende fiets Van der Poel wel tegen en dan lachte hij maar wat. “Ik heb toen zelf maar een fiets gekocht,” aldus Piet.
Wij hebben in een vorig hoofdstuk reeds gesproken over de kwaliteit van de boter. Met name de ijzerroest uit het water kwam bij het wassen van de boter daarin terecht. Dit was zo hardnekkig dat er achter de fabriek op het plein een nieuwe put geslagen moest worden Bij al het werk dat in de loop van de tijd gedaan moest worden heeft Piet geholpen.
Of hij nu de ketel moest schoonmaken, of “d'n hof” van de direkteur bijhouden, het maakte Piet niet uit. Maar het beste werk was “op de baan”.

Van alles over melkvervoer

De trekhond

De trekhond werd veelal ingespannen om de melkbussen op een wagentje van de weide naar de boerderij te brengen. Ook de melkventers en slijters in de stad maakten gebruik van de diensten van een hond. Maar in 1932 ontstaan er volgens het bestuur “groote moeilijkheden” omdat het gebruik van de hond beperkt werd, want zij mochten niet zonder meer ingespannen worden voor het vervoer van de melk.
“Voor bijna 100% geschiedde dit vroeger met den waakhond, die als regel op elke boerderij voorkomt. De wet op de trekhonden heeft hieraan een einde gemaakt.
Er zijn weinig waakhonden die aan de eischen der wet wat betreft schofthoogte en borstbreedte voldoen en het aanschaffen van een trekhond brengt groote uitgaven met zich mee. Men besloot om het bestuur van den NCB hiervan in kennis te stellen en er bij hen op aandringen dat zij via den Nederlandschen Boerenbond er ter bevoegde plaatse op aan dringt om dit voor die honden die voor een dergelijk doel gebruikt worden er af te krijgen.”
Later horen wij niets meer over deze moeilijkheden. Ook werden er keuringen van trekhonden gehouden en deze vonden plaats op het Schoolakkerplein (toen nog weiland) te Ginneken. Zo togen ook de Bavelse boerenjongens ter keuring met hun hond en na afloop werd er bij Tinus Havermans nog eens op gedronken, terwijl de honden bij de fabriek aan de overzijde op hun bazen zaten te wachten.

De melkploeg

Wat was een melkploeg? Om de melk aan de fabriek te krijgen was tussen het bestuur en een groepje boeren uit de verschillende buurtschappen een afspraak gemaakt, waarbij een ieder van de groep bij toerbeurt de melkbussen van de andere boeren oplaadde en naar de fabriek bracht.
De ondermelk en karnemelk werden dan weer retour gegeven. De bussen werden geladen op zgn.”erdkeren”, soms ook op “langkeren”. Zo'n groep boeren uit een buurtschap vormde dus op die wijze een melkploeg.
Degene, die de beurt had van het transport, was verplicht aan de fabriek mee te helpen met het leegstorten van de kannen en diende ook bij het tappen en teruggeven van de ondermelk behulpzaam te zijn.
Maar het boterde niet altijd tussen de boeren van zo'n buurtschap en meer dan eens moest de direkteur of het bestuur als vrederechter optreden, omdat b.v. er één steeds te laat klaar was met melken en de voerman dan de andere dagen ook de kannen maar liet staan, waardoor de betrokkene dan zelf toch nog moest rijden.
Op zijn beurt nam hij weer revanche door zonder aanleiding maar hetzelfde te doen. Ook de direkteur had het nodige te stellen met deze lieden, zoals: op tijd aan de fabriek te zijn, en: dat “'s morgens door de melkaanvoerders uit de karnemelkbak wordt geschept en na gedronken te hebben, het overschot weder daarin gegoten wordt”.

Zo stelde de direkteur voor een houten deksel op de bak te laten maken om dat “euvel” te beletten. Aanvankelijk werden de leden ook ingeschakeld bij het aanvoeren van steenkool, maar toen bleek dat een voerman dit tegen weinig kosten kon doen, werden de leden van deze last verlost.
Wij vinden in de notulen regelmatig de zorgen verwoord, die de direkteur had met de melkrijders. Naast het melkrijden werden ook nog andere boodschappen gedaan omdat men toch in het dorp kwam of vlakbij de smederij van Toon Jansen of de wagenmakerij van Jan Lensen was. Om gauw klaar te zijn probeerde men wel om de kannen op de “verhoging” (bordes) te plaatsen zonder dat verder een hand werd uitgestoken bij het uitgieten of het tappen van ondermelk. Het volgende reglement werd op de verhoging aangeplakt om de orde in de af en toe chaotische bedrijvigheid te handhaven.
1 “elke melkrijder is verplicht te komen op het uur op het reglement aangegeven; zoniet dan kunnen zij verplicht worden te wachten tot de laatste.
2 de melkrijder is verplicht zijne kannen te lossen, uit te gieten en behulpzaam te zijn bij het vullen met ondermelk.
3 de melkrijders moeten elkander zoveel mogelijk behulpzaam zijn met het uitgieten der kannen.” Blijkens de notulen van 21 februari 1921 werd ook wel eens schade in de naaste omgeving van de fabriek veroorzaakt.
“Er was een huis aan de overzijde van de fabriek beschadigt, omdat de man niet op zijn paard had gelet, hetgeen meer voorkwam, zodat besloten werd enige palen voor de huizen te plaatsen.”

Coöperatief melkvervoer

Pogingen van het bestuur om het aanbrengen van de kannen met melk naar de fabriek van de bestaande melkploegen om te zetten in coöperatief melkvervoer is vele keren besproken en evenzovele keren weggestemd. Men wilde er niet van weten. Doel van het coöperatief melkvervoer was om de kosten van het ophalen gezamenlijk te dragen, waarbij dan een vaste rijder per buurt de melk bracht en er een vergoeding voor kreeg. De tot dan bestaande melkploegen ontvingen geen vergoeding en wisselden telkens van voerman.
Echter, in de jaarvergadering van 15 maart 1948 werd het voorstel nog eens duidelijk uiteen gezet en werd vooral de billijkheid van het voornemen goed voorgedragen. Het voorstel werd aanvaard. Het bestuur maakte vervolgens een routeindeling die op 12 april in een buitengewone vergadering aan de orde gesteld werd. Maar de bijeenkomst werd na de toelichting door voorzitter en direkteur zo rumoerig dat de voorzitter al het mogelijke moest doen om de leden tot bedaren te brengen. Het bestuur besloot de onderlinge goede verstandhouding niet te laten verzieken terwille van het melkvervoer. Een hernieuwde poging in 1952 werd wederom afgestemd.
Een jaar later kwam het bestuur op het idee om de melktoeren een vergoeding toe te kennen per 100 kg melk, naar gelang de afstand die ze moesten afleggen naar de fabriek. Degenen die veraf woonden en langer met de melk onderweg waren kregen dus meer dan degenen die rond de fabriek woonden. De aanvoerpremie zou door de fabriek betaald worden en dus door de leden gezamenlijk worden gedragen. De notulist schrijft:
“Het is dus hetzelfde als coöperatief melkvervoer, maar dan in een andere vorm.” Deze voordracht van het bestuur mondde wel uit in een positieve beslissing. Zo kwam op 3 maart 1953 het bestuur na raadpleging van de inschrijvers in café Havermans tot de volgende gunning per 100 kg. melk:

Het nummeren van melkbussen

De melkbussen droegen het nummer waarmee men bij de coöperatie was ingeschreven. In de regel waren dat koperen plaatjes, die na het inslaan van het nummer op de melkkan gesoldeerd werden.
Ook werden koperen cijfers gebruikt. In de zestiger jaren werden rode zelfklevende cijfers uit kunststof toegepast. Voor het niet goed nummeren van de melkbussen werd boete geheven. De melkbussen waren eigendom van de boeren.

Rondom het boerenerf

Veehouderij en veeziekten

Eind 1905 werd er in Bavel een fokvereniging opgericht, blijkens een mededeling van secretaris C. v.d. Poel in de algemene jaarvergadering van 30 januari 1906. Hij spoorde de boeren aan om als werkzaam lid van die vereniging de veestapel te verbeteren.
Wanneer je nu in Bavel of omstreken rondkijkt, dan zie je in de weilanden uitsluitend zwartbont vee. Deze aanblik is oorspronkelijk totaal anders geweest.
Vroeger kende men in deze streken alleen het roodbonte vee, maar in de loop van de tijd is dit veranderd, omdat men enerzijds gedwongen door de vele gevallen van mond en klauwzeer zijn veestapel moest opruimen en er anderzijds toch ook door de invloeden van de fok en controleverenigingen (waarvan er in Bavel 5 waren), een streven was naar koeien met een hoger vetgehalte.
Geleidelijk werden de roodbonte dieren door de zwartbonte verdrongen. Deze verandering begon omstreeks het begin van de jaren ‘30. In 1929 gaf de voorzitter aan de leden nog eens een “brede” uiteenzetting waarom het wenselijk was dat men zijn koeien controleerde op kg. melk en vetgehalte en dat er een controlevereniging werd opgericht. Later, met de komst van de K.I. (kunstmatige inseminatie) werden de verschillende fokverenigingen samengevoegd.
Op de fabriek werd een laboratorium ingericht boven de melkontvangst, waar door Adr. Bastiaansen t.b.v. de foken controleverenigingen de vetgehaltecontrole werd verricht. In 1947 werd deze lokaliteit gebouwd voor de som van f 2.250,-.

Het kalverengeld

In 1911 werd een bestuursbesluit van kracht, waarbij werd bepaald dat een zekere som geheven zou worden over elk kalf door de leden verkocht beneden de ouderdom van vier maanden, met uitzondering van de zgn. nuchtere kalveren. Deze heffing werd opgelegd om de coöperatie schadeloos te stellen voor het verlies, haar berokkend door het zgn. “londense” kalveren mesten. Hierbij werd melk aan de levering onttrokken.
Als gevolg daarvan drukten de exploitatiekosten meer op de leden die niet meededen aan het mesten dan op de leden die dit wel deden. Per kalf zou f 2,- worden geheven. Aangifte diende te geschieden bij de direkteur van de fabriek binnen 8 dagen na aflevering van het kalf. In gebreke blijven betekende een boete van f 5,- per verkocht kalf.
Daar er regelmatig allerlei veeziekten voorkwamen, probeerden de boeren onder het besluit uit te komen. Zo verlangde Adr. Huijbregts eens het woord en wij citeren de notulen :
“ deze wees erop dat hij en met hem vele andere leden mond en klauwzeer heb ben gehad, niet hijzelf maar zijn beesten, waardoor hij zijne kalveren niet kon en niet mocht verkopen, hierdoor meende hij van zijn verplichtingen ontslagen te zijn.” Naar Fr. v.d. Avoort verklaarde lag de zaal krom van het lachen.
Al spoedig waren veel kalveren 4 maand oud, zodat men ook uit het probleem was. Daar deze maatregel op grote schaal werd ontdoken, werd ze op 29 februari 1912 weer ingetrokken en dit “vond veel bijval”.
Dat een aantal dierziekten moeilijk onder controle te krijgen was, waaronder ook het mond en klauwzeer werd mede veroorzaakt doordat de leden rauwe aangezuurde ondermelk van de fabriek terug ontvingen. Op deze wijze kon de besmetting snel van het ene op het andere bedrijf overgaan.
Toen dan ook in 1914 de Minister van Landbouw liet weten dat geen vergoeding meer betaald zou worden voor het afmaken van vee, lijdend aan mond en klauwzeer, indien de fabriek waar de melk werd geleverd niet voldoende voorzorgsmaatregelen had getroffen om uitbreiding der ziekte tegen te gaan, werd onverwijld besloten een ondermelkpasteur aan te schaffen, terwijl bovendien de kannen uitgestoomd en in heet water afgespoeld moesten worden.

Om melkresten niet verloren te laten gaan werd ook een uitdrupapparaat aangeschaft. Daar het uitstomen van de kannen door de melkrijders zeer te wensen overliet, werd besloten daarvoor iemand aan te stellen tegen een beloning van .f 0,50 per dag! Later, in 1919 kregen de boeren die wegens mond en klauwzeer hun melk niet mochten leveren daarvoor de helft van de uitbetaalde prijs vergoed. De hoeveelheid werd vastgesteld naar de geleverde melk in de eerste dagen dat de leverantie hervat mocht wor-den.

Veeziekten

Wij hebben het mond en klauwzeer al even genoemd. Overal in den lande stak deze gevreesde ziekte van tijd tot tijd de kop op. In 1933 zou het te laat aangeven van een mond- en klauwzeergeval met f 5,- beboet worden.
In 1937 heerste deze ziekte in hevige mate. Een goede bestrijding was er niet. Wanneer er boeren waren met zieke dieren dan was het gebruikelijk dat iemand van het gezin of uit de buurt (de melkrijder) dit op de fabriek meldde, waar de direkteur dan de betreffende veearts waarschuwde om te komen. Aldus kwamen de boodschappen dan ook gemakkelijk verminkt over, en dit was voor de veeartsen dikwijls een groot probleem.
In 1944 werd in Bavel begonnen met een georganiseerde enting van het vee tegen mond en klauwzeer, waardoor de dieren dan negen maanden waren gevrijwaard. Het bestuur trachtte het zo te regelen, dat de mensen van de veterinaire dienst bij Leemans kost en onderdak zouden krijgen en tevens gevraagd zou worden om deze lieden met paard en rijtuig rond te rijden. Joh. Marijnissen zou men opzoeken om als gids de zaak te regelen.
Niet alleen het mond en klauwzeer werd gevreesd, maar ook de t.b.c. Dr. Kirsch van de Provinciale Gezondheidsdienst voor Dieren (PGD) onderstreepte op de algemene vergadering in 1947 nog eens het grote belang van de t.b. bestrijding.
“De vele gevallen van t.b.c. onder de boerenstand, welke de laatste jaren schrikbarend is toegenomen zijn er een treurig verschijnsel van en de oorzaak moet voor 90% gezocht worden door besmetting van het vee dat de bacillen uitscheidt via de melk.”
De deelname aan de t.b.c. bestrijding was aanvankelijk op vrijwillige basis. Een jaar later besloot men tot collectieve aansluiting bij de PGD. De kosten werden van het melkgeld afgehouden. 

Voor de schurftbestrijding bij runderen en paarden werd gebruik gemaakt van een zgn. gascel waarin zwaveliggas werd gebruikt. Met gebruik van leren kappen, voor dit doel gemaakt, stak het dier zijn kop buiten de cel voor de frisse lucht terwijl de rest van het lijf behandeld kon worden. Meeuwissen maakte zo'n cel en Joh. van Dijk zou hem plaatsen, onderhouden en bedienen. Hij kreeg daarvoor een vergoeding van 50 cent per rund en 75 cent voor een paard. In okt.1948 kwam deze inrichting, die zo lezen wij, versleten was naar de fabriek terug om te dienen als kippenhok voor de direkteur.

De melkcursussen

In 1923 werd in Bavel voor het eerst een melkcursus gegeven om melkers en melksters de juiste techniek van het handmelken bij te brengen en de daarbij te betrachten hygiëne en de zorg voor melk en gereedschap. De onderdelen waarop de beoordeling van de cursist plaats vond, staan ook op de puntenlijst vermeld (zie bijlage 8). In 1926 konden 16 diploma's worden uitgereikt. In vergelijking met de omliggende plaatsen liep Bavel wat dit betreft wel wat achter (zie overzicht).

Pas in 1940 werden, voor zover kon worden nagegaan, aan 23 handmelkers het diploma uitgereikt. Overigens is het onwaarschijnlijk dat in de jaren tussen 1929 en 1940 geen jonge boeren of boerinnen een handmelkcursus hebben gevolgd, maar in de geschriften hebben wij daarover niets aangetroffen. Naast de gewone handmelkcursussen bestonden er ook cursussen voor voormelkers.
Deze laatsten gaven dan weer praktisch onderricht bij de plaatselijke cursus. In de zomer van 1942 werd op de boerderij van Adr. Janssens op Tervoort, een centrale cursus gegeven voor handvoormelkers; deze werd georganiseerd door de Brabantse Zuivelbond. Het was voor het eerst niet meer bij de Trappisten in Tilburg. Voor het praktische gedeelte werd de cursus verzorgd door bondsvoormelker Adr. van Ham uit Dongen.
Een beeld uit september 1935 van een melkcursus. De foto is genomen achter de boerderij van Jozef Oomen aan de Kerkstraat. Hiermee wordt het vermoeden bevestigd dat tussen 1929 en 1940 wel handmelk cursussen gegeven werden.

De theoretische lessen voor voormelker werden gegeven door Ir. F.W.v.d.Vring te Breda, hoofd van het laboratorium van de Brabantse Zuivelbond. De diploma's werden op de dag van de ondertekening, 28 juli 1942 uitgereikt in de landbouwschool te Breda.
De geslaagden, waaronder ook de heer C.J. van de Ouweland, hebben daarna in de regio door talrijke lessen de “kunst” van het handmelken voor jonge boeren en boerinnen verzorgd. Later ging van de Ouweland de voorlichting over hygiënische melkwinning (vanaf 1950) bij het Rijkszuivelconsulentschap voor Noord-Brabant ter hand nemen.
Vanaf 1940 tot 1953 zat er wat meer lijn in de melkersopleiding dan in de voorgaande jaren, als wij onderstaand staatje bekijken.
Zo kwam in één van de bestuursvergaderingen ook het voorstel aan de orde om één van de oudere voormelkers te vragen voor de meisjes en één jonge voormelker voor de jongens. De theoretische lessen zouden dan door de direkteur worden gegeven. Maar dit leidde al spoedig tot verwikkelingen, want de twee jongste voormelkers konden zich er niet mee verenigen dat zij de meisjes niet mochten onderrichten. Zij hebben bij de direkteur te kennen gegeven dat wanneer zij niet bij de meisjes les mochten geven, zij helemaal geen lessen meer zouden geven. “Het was ook de gewoonte om na afloop van een melkcursus de betrokken stal een paar emmers cadeau te doen, maar aangezien thans (18 jan. 1943) niet aan emmers is te komen werd dit achterwege gelaten. Een der betrokkenen wilde deze gewoonte blijkbaar gehandhaafd zien en dezer dagen werden op het kantoor der fabriek 4 houten emmers gedeponeerd.” In 1946 deden op een drietal bedrijven de eerste melkmachines hun intrede, waarmee het tijdperk van de mechanisatie in de melkveehouderij een aanvang nam.

De uitbetaling der melk

Men dient zich geen grote voorstellingen te maken van de eerste boekhouding, die op de boterbedrijven werd gevoerd. In feite was deze erg eenvoudig. De melk welke aan de fabriek werd geleverd, werd ontroomd met behulp van separatoren. Daarbij kwam room en ondermelk vrij. De ondermelk werd aanvankelijk gratis, later tegen betaling, aan de leden teruggeleverd. Uit de room werd, na aanzuren, boter bereid, terwijl daarbij ook karnemelk werd gevormd, zoals in het voorgaande reeds werd uiteengezet. Waaruit bestonden nu de inkomsten van de fabriek? De notulen van de eerste jaren zijn daarin kort en duidelijk. Wij citeren daaruit over het jaar 1904 : Zo werd in 1904 ook een begin gemaakt met een dagelijkse monstername voor het vetgehalte van de geleverde melk, welke monsters dan tweemaal per maand in het bijzijn van een der commissarissen werden onderzocht.
In 1910 werden door de heer Z. van der Poel de eerste schuchtere pogingen gedaan om verbetering te krijgen in de zuiverheid van de melk, “daar deze bij vele leden nog al wat te wenschen over liet, en dat hij indien de vergadering zulks goedkeurde voortaan geregeld de melk op zuiverheid wilde onderzoeken.”
Nadat hij de goede werking van een teems had uitgelegd en enige proeven had genomen met een vuilbepalingstoestel,”was de vergadering van oordeel dat het ten voordeelen der fabriek zou zijn indien in deze richting werd voortgegaan.”
Er werd in deze richting wel voortgegaan, maar dan wel erg langzaam, want pas in 1928 werd begonnen met het onderzoek op vuilgehalte, waarbij een premie werd toegekend via een bepaalde puntenklassering. Wel werd in 1917 besloten, melk die de alcoholproef niet kon doorstaan, maar toch nog verwerkt kon worden, met 1 cent per liter minder uit te betalen. (met de alcoholproef werd door menging van één deel alcohol met één deel melk zure melk opgespoord; deze melk kan geen pasteurisatie verdragen) Met ingang van 1 maart 1939 werd besloten bij de uitbetaling van de melk ook de kwaliteit te betrekken. Deze beslissing kwam vooral tot stand onder druk van de inmiddels door de overheid ingestelde controle op boter voor exportkwaliteit d.m.v. het Zuivel Kwaliteits Bureau. De boter welke de exportkeuring doorstond bracht aanzienlijk meer op dan niet exportboter. En goede boter kan nu eenmaal niet gemaakt worden zonder een goede kwaliteit van de melk. Het kwaliteitsonderzoek bestond uit drie proeven n.l.
* een gistingsproef
* een reductaseproef (houdbaarheid)
* een zindelijkheidsproef (de z.g. wattenproef)
Deze laatste werd al langer uitgevoerd om de reinheid van de melk vast te stellen. Dit geschiedde door een bepaalde hoeveelheid (100 cm3) door een watje te persen. Verontreinigingen op het watje gaven de mate van reinheid aan. Er werden drie klassen ingesteld.
Werd de melk geplaatst in klasse I dan ontving men een toeslag van 10 cent per 100 kg melk. Klasse II leverde noch toeslag noch korting op. Klasse III gaf een korting van 10 cent per 100 kg melk.

De kannenwasmachine

Met deze machine werden de melkbussen nadat ze geledigd waren met heet water gespoeld en met stoom drooggeblazen. Vanaf het moment dat de aanschaf voor het eerst te sprake kwam, totdat men tot een principebesluit kwam, gingen er al vele maanden mee heen.
Dit is ook wel begrijpelijk, want voor de machine in bedrijf kwam, moesten de kannen met de hand op de boerderij schoongemaakt worden. Dit werk zou dan komen te vervallen. Nog afgezien daarvan, zou een goed gereinigde melkkan bovendien een verbetering in de hygiëne en kwaliteit van de melk kunnen betekenen.
Kortom de kannenwasmachine lag dicht bij de boerderij. Nadat men dus tot een principieel besluit was gekomen moesten op diverse plaatsen deze machines bekeken worden. Zo ging dan een afvaardiging van vier bestuursleden naar de fabriek in Arnhem om een lang type machine in bedrijf te zien.
Bij de buurtfabrieken stonden modellen van het ronde type. Daar men er via discussiëren niet uitkwam werd besloten de keuze van de machine door stemming te bepalen.

De uitslag van de stemming was: 4 voor het ronde type en 3 voor het lange type en 1 blanco. Daarmee was de keuze gemaakt.
Toen het moment bijna daar was dat het apparaat in bedrijf zou gaan, diende de vraag nog beantwoord te worden (door het Bestuur!) wie hem zou bedienen. Wij citeren (19 maart 1951):
“De sollicitanten om de kannenspoelmachine te bedienen werden onder de loep genomen. Na een langdurige bespréking werd besloten tijdens het melkontvangen bij deze machine te plaatsen P. Stevens.”
Algemeen kunnen we zeggen dat te nemen beslissingen dikwijls van de ene vergadering naar de andere werden gesleept. Tevens moet vastgesteld worden dat besluiten zeer democratisch werden genomen, en dat de bestuursleden in de regel vrij goed wisten wat er aangeschaft werd, maar ook hoe een en ander werkte.

Het aardappelstomen

Tot de nevenaktiviteiten welke de fabriek tot zich trok behoorde het aardappelstomen. Daar op de gemengde bedrijven veel voederaardappelen werden geteeld en deze niet in rauwe vorm aan de varkens gevoerd konden worden en bovendien het koken van deze aardappelen op de boerderij ook nogal veel tijd kostte, besloot men deze service bij de aktiviteiten van de fabriek te betrekken.
In de driemaandelijkse bestuursvergadering op 8 oktober 1947 werd over het aan-schaffen van een aardappelstomer gesproken. Het bestuurslid:
“van Boxtel zal in Teteringen aan de fabriek den aardappelstomer bestudeeren en op de volgende vergadering verslag uitbrengen.”
Eind 1948 kwam de aardappelstomer in bedrijf. Eén ketel had een inhoud van 500 kg, de andere van 350 kg.
Kosten voor de leden voorlopig f 0,60/100 kg, niet leden betaalden f 1,-.Na een paar weken werd de prijs herzien en gebracht op f 0,70/100 kg.C.
van Gils die dit werk uitvoerde kreeg f 0,15/100 kg.
Later werd de prijs verder verhoogd, omdat meer stoom nodig was om de aardappelen gaar te krijgen dan aanvankelijk was gedacht. Het aardappelstomen geschiedde juist voor de poort van de fabriek, waardoor de melkwagentjes moeilijk binnen konden komen. Daarom zou de poort wat verplaatst worden!
Na C. van Gils hebben ook Th. Maas van de Koolpad en Chr. Jansen uit Heusdenhout dit werk nog gedaan.

De ondermelkkwestie, een ZWARTE bladzijde


In het boek van H. van Gestel: Op zoek naar rehabilitatie (1931), werd naast de gang van zaken bij het zangkoor, en de tuinbouwveiling ook de ondermelkkwestie aan een beschouwing onderworpen. Daar de onderzoekrapporten en de notulen van de bestuurs en algemene vergaderingen mij ter beschikking stonden, zal ik trachten in het kort een objectief en duidelijk beeld te schetsen van wat er werkelijk aan de hand was.
De eerste aanwijzing dat er met de ondermelk wat gaande was, manifesteerde zich in de bestuursvergadering van 7 januari 1926, toen door voorzitter G. Kriellaars aan de direkteur werd gevraagd de juiste toedracht te geven inzake de ondermelklevering, vanwege de grote herrie die er gemaakt werd over de bijvoeging van water aan de ondermelk. De direkteur antwoordde daarop dat hij geheel te goeder trouw had gehandeld zonder de opzet te hebben iemand te benadelen.

Wat was er precies gebeurd?

Wel, wij weten dat het de gewoonte was dat een bepaald percentage van de geleverde volle melk als ondermelk gratis aan de boeren werd teruggeleverd. Deze percentages varieerden van 50% tot 80%, maar in dit geval was dat 70%. Sommige boeren echter ontvingen aan ondermelk het maximum percentage terug, anderen lieten al hun ondermelk waar zij recht op hadden aan de fabriek en een derde groep liet een deel van zijn recht op ondermelk aan de fabriek.

Deze ondermelk werd door de fabriek verkocht aan o.a. andere zuivelfabrieken voor de bereiding van consumptiemelk of melkpoeder, en bracht aldus een zeker bedrag op. Doch degenen die geheel of gedeeltelijk de ondermelk waarop zij recht hadden aan de fabriek lieten, ontvingen daarvoor een vergoeding van ca. 3 cent per verkochte liter.
Nu was aan de doorverkochte ondermelk water toegevoegd, het kwantum werd dus groter, maar daarmee ook in evenredigheid de totale vergoeding aan de boeren die hun ondermelk aan de fabriek hadden gelaten. Ten onrechte kregen zij dus ook 3 cent betaald voor het water. Ten opzichte van degenen die het volle percentage terugnamen een onbillijkheid. Een aantal leden had onbewust voordeel van deze toevoeging.

Daar stond dan tegenover dat meer ondermelk voor doorverkoop beschikbaar was gekomen en zo voor de vereniging meer opbracht. Maar, knoeierijen met water, in welke zin ook bedreven, konden niet getolereerd worden, omdat ze de goede naam aantastten en ook ander bedrog in de hand konden werken. Een grondig onderzoek naar de omvang van het gebeurde was dringend geboden.

In de algemene vergadering van 11 februari 1926 werd besloten een stemming te houden om een commissie van drie leden te benoemen om de zaak uit te zoeken. De direkteur had echter zijn handelwijze wat gebagatelliseerd en het bestuur nam in dit stadium een wat slap standpunt in en heeft zich te weinig gerealiseerd wat de gevolgen van een halve waarheid zouden betekenen.
Mede daardoor werd de uitslag van de stemming ook duidelijk n.l. 65 stemmen waren voor, 142 tegen en 59 blanco zodat de commissie er dus niet kwam. De voorzitter beschouwde hiermee de zaak als afgedaan, waarna de balans en de rekening van lasten en baten goedgekeurd werden.

Aan het begin van dezelfde vergadering had G. Kriellaars al te kennen gegeven zijn voorzittersfunctie te willen neerleggen, omdat hij die met zijn andere drukke werkzaamheden niet meer kon combineren. Ook de secretaris A. van Kaam was voornemens het bestuur te verlaten daar hardhorendheid hem het volgen van de gesprekken en het maken van de notulen bemoeilijkten.
(Uit gesprekken met Adr.Janssens, de latere voorzitter, is mij gebleken dat de persoon van G. Kriellaars te goed en daarmee te zwak was om op de juiste manier op te treden tegen de begane malversaties). Zo werd op 12 februari J. Oomen tot voorzitter en Adr. Janssens tot secretaris gekozen.

Op 8 april vond het vervolg plaats van de algemene vergadering welke op 11 februari wegens tijdgebrek niet afgerond kon worden. Hier verscheen ook de heer C. Janse, hoofd van de accountantsdienst van de Brabantse Zuivelbond, die door het bestuur uitgenodigd was een inleiding te houden over de werkzaamheden van de zuivelbond. Was dit toeval of opzet?
Onder druk en op aandringen van H. van Gestel besloot het bestuur tijdens deze vergadering de heer Janse het verzoek te doen om een rapport uit te brengen hoeveel water er bij de ondermelk kon zijn gevoegd. Jammer dat dit niet eerder en op initiatief van het bestuur gebeurd was.

Op 29 juli heeft de accountantsdienst op de bijeenkomst van bestuur en commissarissen de berekende cijfers bij zich. Hier bleek dat ca. 118.000 liter water aan de ondermelk was toegevoegd in de periode van juli tot december 1925. Bezien wij de berekeningen die gemaakt zijn, dan kunnen wij slechts vaststellen dat deze juist waren. Daarna vond er in de school een bijeenkomst plaats waar de leden van de heer Janse een uitleg kregen van de berekening van de hoeveelheid water, waarbij zelfs een hele maand werd voorgerekend. Alle aanwezigen konden zich tevreden stellen met de verkregen informatie.

Op 23 augustus vond een volgende algemene vergadering plaats, waarin de voorzitter het rapport voorlas over deze zaak. Ondanks alle openheid en toelichting weigerden H. van Gestel c.s. het rapport goed te keuren en trokken de bevindingen van de accountantsdienst in twijfel. Tenslotte werd besloten een stemming te houden waarbij het bestuur de vertrouwenskwestie stelt, met uitzondering van P. van Gestel, die het als bestuurslid eens was met H. van Gestel.
De uitslag van de stemming was 227 stemmen voor, 9 tegen en 4 blanco, waarmee duidelijk werd dat een overgrote meerderheid wel vertrouwen had in het bestuur en het uitgebrachte rapport.

In de stellige overtuiging dat hiermee de zaak tot het verleden behoorde, kwam als een verrassing het verzoek van de oppositie met een door 36 leden ondertekend voorstel om een nieuwe algemene vergadering bijeen te roepen met als agendapunten:

1. bespreking van de waterkwestie
2. instellen van een commissie van onderzoek

3 onder voorbehoud indienen van een motie van wantrouwen tegen het bestuur.
Op 29 september vond deze bijeenkomst plaats. Het bestuur wilde een uitspraak aan de vergadering vragen of deze punten behandeld moesten worden of niet. Maar verder dan het vormen van een stemcommissie kwam men niet, want het rumoer en het onderlinge gekrakeel werd zo groot dat het onmogelijk was te stemmen, laat staan te vergaderen. De voorzitter kon niet veel anders doen dan “wegens het overgrote rumoer en geschreeuw" de vergadering te sluiten met de christelijke groet!!!, de welke zeker niet iedereen gehoord zal hebben.
Ten einde raad legde het bestuur aan de commissie van toezicht op de controledienst van de Brabantse Zuivelbond de vraag voor of na goedkeuring der rekening en verantwoording een of meerdere leden inzage gegeven kon worden in de boeken en bescheiden. Deze vraag was ingegeven, vanwege een diepgeworteld wantrouwen in de gang van zaken op de fabriek, daar een klein deel van de leden dacht dat er nog wel meer mis zou zijn dan alleen geknoei met water.
De commissie van toezicht, bestaande uit de heren Joh. Vos uit Roosendaal, G. J. van Poppel uit Gilze, Y.Th. Terwisscha van Scheltinga uit Etten en de Rijkszuivelconsulent E. Tonkens Struyf uit Breda was van oordeel dat dit verzoek niet ingewilligd kon worden. Vervolgens vroegen 51 leden om een vergadering bijeen te roepen met als agendapunt:

- ontslag als bestuurslid van J. Oomen, G. Kriellaars en Adr. Janssens.

Op grond van de statuten moest ook deze keer weer het bestuur de vergadering uitschrijven, doch de schriftelijke stemming maakte alleen maar duidelijk dat een 2/3 meerderheid dit niet wilde. Intussen deed het bestuur hardnekkige pogingen om de oppositie en de leden duidelijk te maken dat de toedracht werkelijk is geweest zoals ze werd gepresenteerd.
Zij deed dit o.a. door middel van circulaires aan de leden en door de secretaris van de Nederlandse Zuivelbond,de heer Geluk een heronderzoek te laten verrichten over de gang van zaken. Een uitvoerig rapport d.d. 6 december 1926 werd aan de algemene vergadering op 29 december uitgebracht.
Het was uiteindelijk het bestuurslid P. van Gestel die zei dat het de wens van de vergadering was dat het uit moest zijn met het geruzie over het water. In feite ging het daar al lang niet meer om. Zo kwam er toch een eind aan een ordinaire ruzie en tweedracht in een coöperatie wat als een zakelijk meningsverschil begonnen was. Het jaar 1926 was een zwarte bladzijde in de geschiedenis van “St. Brigida” en door de onder melkkwestie was men vergeten dat de fabriek inmiddels haar 25-jarig bestaan gepasseerd was.

Verbouwingen

In het voorgaande hebben wij er al op gewezen dat de inrichting van de fabriek in Bavel niet bepaald optimaal was om boter van uitstekende kwaliteit te bereiden. Al vanaf 1927 zat men met problemen als: ijzerhoudend water, de karn met zijn slechte duig, centrifuges welke niet scherp ontroomden, en roombakken uit slecht materiaal. Kortom, er moesten maatregelen getroffen worden.
In de zomer van 1929 werden dan echte plannen gemaakt om er iets aan te doen. Het bestuur besloot op 8 augustus 1929 een grote verbouwing aan de fabriek uit te voeren volgens het voorstel van de bouwcommissie van de Brabantse Zuivelbond. Bovendien bleek dat het centrifugelokaal en de ruimte voor de melkontvangst te klein waren om goed te kunnen werken.
De (opgemaakte) begroting van deze verbouwing beliep een bedrag van f 50.000,- en voor het uitgeven daarvan was toestemming nodig van de leden. Op 4 september werd zonder één stem tegen hiervoor goedkeuring gegeven. In de discussie daarvoor waren er leden, die meenden dat de verbouwing “door het plaatsen van een deur op de melkontvangst” niet nodig zou zijn!
Op vrijdagmiddag 18 oktober om 2 uur vond ten huize van Mart. Havermans (café 't Haantje) de aanbesteding plaats van de verbouwing. Er waren acht inschrijvingsbil- jetten ingeleverd met de volgende uitkomst:

Van Beysterveld Gilze .f 45.333,-
Vermeulen Gilze .f 44.990,-
C. van Beysterveld Gilze .f 44.600,-
P. van Beek Oosterhout .f 44.500,-
P. van Rijckevorsel Ginneken .f 40.400,-
P. Botermans Gilze .f 39.999,-
Van Gool Baarle Nassau .f 39.995,-
Smolders Hilvarenbeek .f 36.580,-

Wie deze inschrijvingsbedragen goed bekijkt kan voor de kleine onderlinge verschillen zelf wel een verklaring vinden! Het werk werd gegund aan de firma Smolders, de technische installatie aan Van Riel uit Tilburg voor de som van f 12.300,-. Het weekloon van de opzichter werd vastgesteld op f 45,- per week.
Het bestuur benoemde de heer Kramer van het Technisch Bureau Martens & Kramer uit Oosterhout als architect; “deze nam de zaak aan tegen 3% % van de aannemingssom.”

De electriciteitswerken werden gegund aan J. Jansen(smid) te Bavel voor f 707,25. Wanneer de maai geplaatst zou worden, zo werd besloten: “... om aan het werkvolk .f 1,- en aan den opzichter f 10,- te geven.” De verbouwing was zó ingrijpend, dat het gehele aanzicht van de fabriek er volledig door veranderd werd. Tevens moest er een stuk grond aangekocht worden van Van der Avoort voor de prijs van f 1,50 per m2. In het jaarverslag van 1930 lezen wij:
“Iedereen, die de fabriek vroeger gekend heeft, met zijn opeenstapeling van werktuigen en de lage bedompte overkapping, en nu de nieuwbouw ziet, met de ruime, lichte lokalen, zal moeten bekennen, dat hier een mooi stuk werk is geleverd. De verandering van de melkontvangst, met het voorgelegen terrein is reeds flinke verbouwingskosten waard.”
De kosten bedroegen:
verbouwing .f 39.751,98
machineriën en montage .f 16.315,05
aankoop grond en beschrijvingskosten .ƒ 1.240,10
straatwerk en schutting f 1.373,55
.f58.680,68
Het bestek met de blauwdrukken van deze verbouwing zijn bewaard gebleven. Dit geldt ook voor een latere verbouwing in 1937, waarbij de koelcel voor boter en een wagenloods werden gebouwd. De foto;s en de plattegrond geven een indruk van de metamorfose die “St. Brigida” had ondergaan, anders gezegd: een echte face lift.

De Heilige Brigida

Wij kunnen er niet om heen in het kort de levensgeschiedenis van St. Brigida te ver-melden, omdat zij als 2e patrones van Bavel, als een symbool van vooruitgang en goede zaken gezien werd in de Bavelse gemeenschap, maar van de boeren in het bijzonder.
Brigitta, of Brigida, patrones van Ierland leefde van ca. 452 - 523. Zij is na St. Patrick de meest populaire van de Ierse heiligen. Zij wordt afgebeeld als abdis met flambouw en staf en aan haar voeten een liggend rund, gedekt door haar mantel. Zij werd vereerd als de beschermheilige van vee en paarden. Haar feestdag wordt gevierd op 1 februari.
Het is niet toevallig dat het gemeentebestuur van Breda bij haar besluit van 16 mei 1956 in het gebied Overakker, destijds behorende bij de vroegere gemeente Ginneken en Bavel, een straatnaam verbond aan Brigida.
De naam Brigidastraat in Bavel werd vastgesteld bij besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. 23 mei 1947. Dit besluit werd genomen, omdat toen de oude wijkindeling is opgeheven. Tientallen straten in de gehele gemeente ontvingen bij hetzelfde besluit een naam. Enige toelichting op de naam Brigidastraat ontbreekt.
Volgens gemeentearchivaris Dr. F. Brekelmans zal de naam gekozen zijn omdat zij als patrones van Bavel grote bekendheid geniet.
In het boekje: “Van Ginneken tot Nieuw-Ginneken” van Herman Dirven, moet op blz. 143 toch een kleine correctie worden aangebracht.
Het beeld van de Heilige Brigida, dat nu de Brigidaschool siert, dateert van 1942 en niet van 1902. Overigens dient hierbij nog aangetekend te worden dat dit beeld nimmer zoek geweest is, doch met zorg bewaard en gerestaureerd is, totdat in Bavel een passende bestemming zou zijn gevonden.
Welnu, een passender decoratie als nu het geval is bij de nieuwe school, is nauwelijks denkbaar. De eerste jaren van de coöperatie waren toch niet ongunstig verlopen en.: als een blijk van vertrouwen in de patrones besloot men op 10 februari 1906:
“alle drie maanden een H. Mis te laten lezen ter ere van onze patrones, de H. Brigida, om zegen over onze coöperatie en hare leden.”
Een beeltenis heeft vanaf het begin op de voorgevel van het gebouw geprijkt en is verschillende keren vervangen door een nieuw exemplaar. Men dacht in juni 1941 met verf er nog wat fleur aan te geven, maar amper een jaar later kwam het bestuur tot de overtuiging dat het beeld zover was versleten dat het door een ander vervangen moest worden.
Men besloot een nieuw beeld te laten maken in beton, hetgeen zou komen op een prijs van .f 200,-. Wie de maker was van het beeld dat nu de ingang van de Brigidaschool siert, is uit de archiefstukken niet duidelijk geworden. Soms echter helpt het toeval ook wel eens een handje.
Bij verificatie van het vermoeden dat de waarnemend direkteur tijdens de ziekte van de heer van der Poel mogelijk wel eens een familierelatie zou kunnen zijn van de heer A. van Opstal uit Rijen (direkteur van de voormalige zuivelfabriek aldaar) bleek dit inderdaad het geval. Het was diens broer Kees, die indertijd als waarnemend direkteur in Bavel optrad. Maar al spoedig bleek in het verloop van het gesprek dat een andere broer, Jan van Opstal de maker was van het huidige beeld.
En om de devotie tot St. Brigida extra te ondersteunen kon men eigenlijk niet zonder een “Handboekje voor de vereering van de H. Brigida “ Naast de levensschets kan men er verschillende gebeden in vinden, maar ook een litanie, en een “krachtig noveengebed”. En wie van de wat oudere lezers kunnen zich onderstaande liederen nog herinneren?


Loflied voor St. Brigida
Heilige Brigida, wier luister
Schittert als de dageraad,
Blijde glans in 't aardse luister Weest steeds onze toeverlaat
Zie Uw kinderen U begroeten
Met gebeden, lof en lied,
Hoopvol knielend aan Uw voeten Brigida versmaadt ons niet
Heel Uw heerlijk maagdenleven Was het steeds Uw dierste zorg, Aan het landvolk blij te geven Uw gebed als zegenborg 92
Ja als Gij den Heer woudt smeken Toen een stortvloed viel op 't veld Bleef Uw oogst droog tot een teken Dat God wijkt voor het geweld
Daar Gij dan zo goedertieren 't Landvolk liefhad t' allen tijd, Maak ons die Uw feesttij vieren Met Uw zegening verblijd
Vraag aan God voor onze vruchten, Zon en regen, groei en bloei,
Dat ons vee geen rampen duchten Dat de welvaart overvloeit. Samenwerking, wat is dat ?

Samenwerking. Wat is dat ?

Contacten met de buurtfabrieken.

  • De Bavelse melkfabriek was uit de aard van haar ontstaan een bedrijf met een sterk locaal gericht karakter, waardoor de buurtfabrieken zoveel mogelijk als concurrenten op afstand werden gehouden. Maar als men in nood verkeerde, was er toch steeds de bereidheid elkaar te helpen. Wij laten enkele voorbeelden volgen en citeren:
    • 13.07.1926.
    • „Daar de coöperatie in Ulvenhout in moeilijkheden verkeert, door de in vollen gang zijnde verbouwing en geregeld afromen in deze fabriek thans geheel onmogelijk wordt, is besloten het verlangen van die coöperatie in te willigen en de melk van Ulvenhout in onze fabriek af te roomen na afloop van het afroomen van de melk van onze leden. Alle schade en nadelen hieraan verbonden zullen door Ulvenhout moeten worden gedragen.
    • 19.04.1927.
    • De Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Ulvenhout heeft den prijs der melk verlaagt en gebracht op 10 cent. Oorzaak van deze is wel vn. de grootste concurentie der Stoomzuivelfabriek en melkinrichting te Princenhage. Alhier werd besloten om met deze prijsverlaging niet mede te gaan zolang Ulvenhout geen nadeel berokkent aan onze klanten.
    • 03.08.1932.
    • De directeur deelde mede dat Princenhage heeft gevraagd om op de tentoonstelling te Ginneken gezamelijk een stand op te richten. Hiervoor voelde ons bestuur niets. Daar onze klanten uitsluitend te Ginneken wonen was het bestuur van oordeel om alleen op de tentoonstelling een flinke stand op te richten.
    • 30.10.1933.
    • Nu werd behandeld een schrijven van de stoomzuivelfabriek te Gilze betreffende de grensscheiding. (bedoeld werd de grens van het melkwinningsgebied) Zoals Gilze zich de grensscheiding indenkt kan ons bestuur zich volstrekt niet verenigen.
    • 18.04.1934.
    • Op 9 april vergadering gehad met het bestuur van Gilze. De grens werd als volgt vastgesteld: De Molenschotsedreef komende uit ‘t Rijksbosch tot op den steenweg Bavel-Gilze en dan een lijn trekken recht naar 't noorden. De bedrijven van Calluna (de Leeuw) en Ch. Romme welke gedeeltelijk ten oosten van die lijn liggen en Ant. Wirken behoren echter nog bij Bavel.
    • 19.02.1934.
    • De vorige week heeft men bezoek gehad van het bestuur der melkfabriek te Ulvenhout om de koelmachine te bezichtigen.
    • 06.03.1934.
    • De directeur deelde mede dat hij eenige dagen melk heeft betrokken van Princenhage (de flessenmelk was niet houdbaar). Naar aanleiding hiervan ontspon zich een breedvoerige bespreking over de flesschenmelk en den melkpasteur.
    • 15.03.1944.
    • Dan geeft de directeur nog een uiteenzetting van de vergadering te Breda inzake stopzetting en bij andere fabrieken inlijven(!) van Ulvenhout. Hiervan zal echter niets opgaan, want Ulvenhout heeft weer een nieuwe directeur benoemd (de heer J. Vonk). maart 1947. Tijdens de installatie van de nieuwe stoommachine is gedurende 6 weken de melk van Bavel in Gilze verwerkt. Men zal Gilze nog een wagentje kolen bezorgen.” De Provinciale Gezondheidsdienst wilde bedrijfsvoorlichters aanstellen. Per 7000 stuks vee zou 1 man nodig zijn. In Bavel besloot men om dit samen met Ulvenhout te doen. Maar “Ulvenhout was niet bereid met Bavel samen te werken.”
    • 23.08.1954.
    • “De kwestie betreffende de grensscheiding tussen Gilze en Bavel is ten gunste onze fabriek uitgesproken.
    • 19.11.1954.
    • Ook nog een aangetekend schrijven van de Coöp. Zuivelfabriek Gilze, ondertekend door den directeur met de mededeling dat zij het contract eertijds tussen hen en de Coöp. Zuivelfabriek “St. Brigida” gesteld betreffende grensscheiding met 1 Jan 1955 als verbroken beschouwen.”

    Samenwerking met andere fabrieken

    Reeds in 1932 leefden er plannen om tot een verdergaande samenwerking met de omliggende fabrieken te komen. Daarvoor werd op 21 december 1932 een vergadering belegd in de Landen Tuinbouwschool te Breda. De melkslijtende fabrieken rond Breda zouden trachten tot samenwerking te komen en dan een overeenkomst sluiten met het bedrijf te Princenhage, dat de melk in Breda zou uitventen, daarbij zou een eventueel verlies of winst samen gedeeld worden. Als dat niet lukte werd overwogen een nieuwe fabriek te stichten! Dit voornemen bleek evenwel niet haalbaar.

    Fusiebesprekingen met de zuivelfabriek te Dorst

    Eind mei of begin juni in 1935 werd door het bestuur van de stoomzuivelfabriek “De Eendracht” te Dorst aan de buurtfabrieken onderstaand schrijven toegezonden. Verzuimd is de datering aan te brengen.
    Dat deze brief inderdaad ook ontvangen is door het bestuur van Bavel wordt in de notulen bevestigd. Maar ze stonden in Bavel niet direct klaar om de portemonné open te maken voor de Dorstse veehouders. Ze waren wel bereid om de melk te verwerken en na een proeftijd zouden alle leden van Dorst lid moeten worden van “St. Brigida”.
    Aldus zou men het bestuur van Dorst berichten. Tot maart 1942 hoorde men niets meer over deze zaak. De Dorstenaren openen dan opnieuw onderhandelingen om hun melk in Bavel te laten verwerken, maar eisen tevens dat vier man personeel overgenomen worden. De coöperatie van Dorst telde in 1942 46 leden met een gezamenlijke dagaanvoer van 1100 kg per dag (in maart) wat neerkomt op een gemiddelde levering van 24 kg melk per lid per dag! De boterverkoop bedroeg 2400 kg per week.
    Het bestuur van Bavel deed daarop nog wel tegenvoorstellen, en dan lijken de activiteiten stil te liggen tot de zomer van 1943.
    Nu echter ontstond druk van de overheid, die een algehele opheffing wilde van de kleine fabrieken en rond de steden melkwinningsgebieden wilde maken t.b.v. de consumptiemelkvoorziening.


    Het Bestuur der Coöperatieve Stoomzuivelfabriek:
    te Bavel
    H.H.,


    Bij dezen deelen we U mede,dat we ernstig overwegen,aan de algemeene vergadering voor te stellen,de zuivelfabriek op te heffen en allen lid te worden van een Coöperatieve buurtfabriek. Alvorens deze voorstellen in de algemeene vergadering te behandelen zouden we gaarne van U vernemen, onder welke voorwaarden de leden onzer fabriek bij U lid zouden kunnen worden. In het bijzonder gelieve U ons mede te deelen, welke bedrag U zoudt willen betalen voor de overname van onze zaak (goodwill).
    Het is ons bekend, dat bij de buurtfabrieken geen coöperatief melkvervoer is en de melk door de leden zelf aan de fabriek moet worden gebracht. We begrijpen dat het daarom organisatorisch moeilijkheden oplevert indien voor de melk van Dorst een uitzondering zou worden gemaakt.
    Het is dus niet de bedoeling dat bovenbedoeld bedrag uitsluitend in het melkvervoer wordt vastgelegd. Mogelijk kan het voor U aanleiding geven een bedrag te bepalen hetzij voor de levering der melk onzer leden aan Uwe fabriek, hetzij voor de toetreding onzer leden in het geheel tot Uwe vereeniging.
    We zullen het op prijs stellen, Uw schriftelijk antwoord op Vrijdagmiddag 7 Juni ‘s middags drie uur te mogen ontvange.
    Hoogachtend,

    Namens het Bestuur
    STOOM-ZUIVELFABRIEK “DE EENDRACHT”
    Dorst bij Breda (N.-Brabant)

    Zo liep Dorst dan ook gevaar bij Breda getrokken te worden. Het gevaar voor de Dorstse boeren schuilde in het vooruitzicht dat zij minder ondermelk op hun bedrijf terug zouden krijgen, immers voor consumptiemelk is de hoeveelheid plas erg belangrijk. En dit wilden ze natuurlijk niet.
    Wat het resultaat was van de onderhandelingen valt niet met zekerheid te zeggen. In ieder geval hebben wij nergens aanwijzingen kunnen vinden dat de leden van “De Eendracht” gefuseerd zijn met “St. Brigida”. Wel staat vast dat een aantal boeren van Dorst hun melk geleverd hebben aan de melkinrichting “De Hoop” in de Ginnekenstraat te Breda. De fabriek van Dorst moest op last van de overheid in de oorlogsjaren haar aktiviteiten staken, evenals de fabrieken van Teteringen en Wagenberg.
    Wij hebben hiervoor al aangegeven dat vóór 1940 Bavel ook al zocht naar vormen van samenwerking met de omliggende fabrieken, maar telkens werden er argumenten gevonden om dit streven af te wijzen. Na 1945 verliepen de ontwikkelingen wat sneller en om de lezer toch een zo volledig mogelijk beeld te geven zullen wij dit in de vorm van een tijdtafel weergeven.
    In het najaar van 1947 vond in Teteringen een keuring plaats van de stoomketel. Om die reden lag de fabriek daar stil en werd de melk van de Teteringse boeren in Bavel verwerkt. Kennelijk beviel dit zo goed dat op: 3 dec. 1947: in het bestuur mededeling gedaan werd van een voorgenomen gesprek tussen enkele bestuursleden en direkteur van Teteringen met het bestuur in Bavel.

    • 3 sept.1948:
    • Door de besturen van vijf fabrieken werden de volgende personen aangewezen om samen te vergaderen en daardoor een basis te vinden om tot verdere samenwerking te komen. C. Oomen, Princenhage
      Adr. Oomen, Beek
      Adr. v. Leijsen, Teteringen
      A. Vermeeren, Ulvenhout
    • 24 sept. l949:
    • Bijeenkomst met bestuur en direktie van Gilze om een N.V. tot stand te brengen. 
    • maart 1950:
    • De fabriek van Ulvenhout besluit om niet verder aan de besprekingen deel te nemen. (Reden niet bekend)
    • april 1950:
    • Bavel besluit dat alle vijf fabrieken moeten meedoen en anders geen samenwerking. Teteringen blijft met Beek en Princenhage in gesprek
    • 3 januari 1951
    • De mogelijkheid besproken om met Chaam, Baarle Nassau, Ulicoten, Ulvenhout en Bavel een kaasmakerij op te richten.
    • 26 juli 1955
    • “ werd ten kantore van onze fabriek een bijeenkomst belegd van afgevaardigde van de Coöp. Zuivelfabrieken van Teteringen en Ulvenhout met ons bestuur om eens te bespreken of het geen gunstige resultaten zou afwerpen door gehele of gedeeltelijke samenwerking. Na heen en weer praten werd besloten de volgende punten elk met zijn eigen bestuur nogmaals te overwegen om dan 8 aug. e.k. te Ulvenhout weer met afgevaardigden van elk bestuur bijeen te komen.
      1. De kwaliteitscontrole te doen geschieden door één persoon voor de genoemde fabrieken.
      2. Gezamelijk een colpoteur aan te stellen om de aanwinst van klanten te bewerken.
      3. Gezamelijke regeling van melkventers en binnenpersoneel bij eventuele vacantie en ziekte.
      4. De melkbezorging en het eventueel vervoer zo economisch mogelijk te doen geschieden.
      5. Een der 3 fabrieken de overmelk tot kaas of eventueel poeder te verwerken.
      6. Het produceren van consumtiemelk toch zeker van sterielprodukten op één plaats te doen geschieden.
      7. Dit alles zal echter alleen uitvoerbaar zijn als men een gelijke uitbetalingsprijs krijgt.”

      De voorzitters van Ulvenhout en Teteringen geven echter te kennen dat hun bestuur nog niet doordrongen was van het nut om hun plaatselijke zelfstandigheid prijs te geven voor een combinatie!!
    • 18 aug. 1955:
    • Evenals de bestuursleden geven ook de leden van de raad van toezicht te kennen, te menen dat het in het belang van onze Coöperatie is te trachten om samenwerking te bevorderen van de drie genoemde fabrieken.
      Hierbij mag opgemerkt worden dat het bestuur van “St.Brigida" duidelijk van opvatting was dat de bakens naar een grootschalige en meer economische bedrijfsvoering verzet dienden te worden. Hier was zeker geen sprake van ijdele drang tot zelfbehoud. Men kon toen nog niet bevroeden dat Ulvenhout en Teteringen uiteindelijk in dezelfde coöperatieve verenging terecht zouden komen; dit was dan wel ongeveer tien jaar later.
    • 18 oct. 1955:
    • “Van den directeur van Ulvenhout heeft onze voorzitter vernomen dat hun bestuur er van afgezien heeft verdere besprekingen te voeren over eventuele samenwerking met onze fabriek"
    • 11 mei 1956:
    • Verzoek van de commissie melkverwerking van de Brabantse Zuivelbond aan het bestuur van “St. Brigida” of zij genegen is te combineren met “St. Martinus”. In principe wordt daartoe besloten.
    • 21 juni 1956:
    • De commissie melkverwerking heeft de voorwaarden uitgewerkt waaronder de coöperatie als lid toe zou kunnen treden tot “St. Martinus". Bij stemming bleek dat het uitgebrachte voorstel door de beheerders van “St. Brigida” in beginsel accoord is en een brief met de volgende inhoud wordt verzonden:

    Zo liep Dorst dan ook gevaar bij Breda getrokken te worden. Het gevaar voor de Dorstse boeren schuilde in het vooruitzicht dat zij minder ondermelk op hun bedrijf terug zouden krijgen, immers voor consumptiemelk is de hoeveelheid plas erg belangrijk. En dit wilden ze natuurlijk niet. Wat het resultaat was van de onderhandelingen valt niet met zekerheid te zeggen.
    In ieder geval hebben wij nergens aanwijzingen kunnen vinden dat de leden van “De Eendracht” gefuseerd zijn met “St. Brigida”.
    Wel staat vast dat een aantal boeren van Dorst hun melk geleverd hebben aan de melkinrichting “De Hoop” in de Ginnekenstraat te Breda. De fabriek van Dorst moest op last van de overheid in de oorlogsjaren haar aktiviteiten staken, evenals de fabrieken van Teteringen en Wagenberg.
    Wij hebben hiervoor al aangegeven dat vóór 1940 Bavel ook al zocht naar vormen van samenwerking met de omliggende fabrieken, maar telkens werden er argumenten gevonden om dit streven af te wijzen. Na 1945 verliepen de ontwikkelingen wat sneller en om de lezer toch een zo volledig mogelijk beeld te geven zullen wij dit in de vorm van een tijdtafel weergeven.
    In het najaar van 1947 vond in Teteringen een keuring plaats van de stoomketel. Om die reden lag de fabriek daar stil en werd de melk van de Teteringse boeren in Bavel verwerkt. Kennelijk beviel dit zo goed dat op: 3 dec. 1947: in het bestuur mededeling gedaan werd van een voorgenomen gesprek tussen enkele bestuursleden en direkteur van Teteringen met het bestuur in Bavel.

    • 3 sept.1948:
    • Door de besturen van vijf fabrieken werden de volgende personen aangewezen om samen te vergaderen en daardoor een basis te vinden om tot verdere samenwerking te komen. C. Oomen, Princenhage
      Adr. Oomen, Beek
      Adr. v. Leijsen, Teteringen
      A. Vermeeren, Ulvenhout

    • 24 sept. l949:
    • Bijeenkomst met bestuur en direktie van Gilze om een N.V. tot stand te brengen. 
    • Maart 1950
    • De fabriek van Ulvenhout besluit om niet verder aan de besprekingen deel te nemen. (Reden niet bekend)
    • april 1950
    • Bavel besluit dat alle vijf fabrieken moeten meedoen en anders geen samenwerking. Teteringen blijft met Beek en Princenhage in gesprek
    • 3 januari 1951
    • De mogelijkheid besproken om met Chaam, Baarle Nassau, Ulicoten, Ulvenhout en Bavel een kaasmakerij op te richten.
    • 26 juli 1955
    • werd ten kantore van onze fabriek een bijeenkomst belegd van afgevaardigde van de Coöp. Zuivelfabrieken van Teteringen en Ulvenhout met ons bestuur om eens te bespreken of het geen gunstige resultaten zou afwerpen door gehele of gedeeltelijke samenwerking. Na heen en weer praten werd besloten de volgende punten elk met zijn eigen bestuur nogmaals te overwegen om dan 8 aug. e.k. te Ulvenhout weer met afgevaardigden van elk bestuur bijeen te komen.

    1. De kwaliteitscontrole te doen geschieden door één persoon voor de genoemde fabrieken.
    2. Gezamelijk een colpoteur aan te stellen om de aanwinst van klanten te bewerken.
    3. Gezamelijke regeling van melkventers en binnenpersoneel bij eventuele vacantie en ziekte.
    4. De melkbezorging en het eventueel vervoer zo economisch mogelijk te doen geschieden.
    5. Een der 3 fabrieken de overmelk tot kaas of eventueel poeder te verwerken.
    6. Het produceren van consumtiemelk toch zeker van sterielprodukten op één plaats te doen geschieden.
    7. Dit alles zal echter alleen uitvoerbaar zijn als men een gelijke uitbetalingsprijs krijgt.”

    De voorzitters van Ulvenhout en Teteringen geven echter te kennen dat hun bestuur nog niet doordrongen was van het nut om hun plaatselijke zelfstandigheid prijs te geven voor een combinatie!!
    • 18 aug. 1955:
    • Evenals de bestuursleden geven ook de leden van de raad van toezicht te kennen, te menen dat het in het belang van onze Coöperatie is te trachten om samenwerking te bevorderen van de drie genoemde fabrieken.

      Hierbij mag opgemerkt worden dat het bestuur van “St.Brigida" duidelijk van opvatting was dat de bakens naar een grootschalige en meer economische bedrijfsvoering verzet dienden te worden. Hier was zeker geen sprake van ijdele drang tot zelfbehoud. Men kon toen nog niet bevroeden dat Ulvenhout en Teteringen uiteindelijk in dezelfde coöperatieve verenging terecht zouden komen; dit was dan wel ongeveer tien jaar later.
    • 18 oct. 1955:
    • “Van den directeur van Ulvenhout heeft onze voorzitter vernomen dat hun bestuur er van afgezien heeft verdere besprekingen te voeren over eventuele samenwerking met onze fabriek"
    • 11 mei 1956:
    • Verzoek van de commissie melkverwerking van de Brabantse Zuivelbond aan het bestuur van “St. Brigida” of zij genegen is te combineren met “St. Martinus”. In principe wordt daartoe besloten.
    • 21 juni 1956:
    • De commissie melkverwerking heeft de voorwaarden uitgewerkt waaronder de coöperatie als lid toe zou kunnen treden tot “St. Martinus". Bij stemming bleek dat het uitgebrachte voorstel door de beheerders van “St. Brigida” in beginsel accoord is en een brief met de volgende inhoud wordt verzonden:

    Afschrift                 Bavel, 27 Juni 1956

    Mijne Heren,

    In onze gecombineerde vergadering van bestuur en Commissie van Toezicht gehouden op 21 Juni J.1., werd naar aanleiding van het besprokene met uwe commissie op Woensdag 20 Juni J.L. waarbij ons dagelijks bestuur aanwezig was, het volgende besloten:
    Goedgevonden werd dat de leden van de Coöp. Zuivelfabriek te Bavel het door u genoemde bedrag van ruim f 80.000,- in een nabetaling over een of meerdere jaren minder zouden ontvangen. De aanvulling van het bestuur van de Coöp. Zuivelfabriek te Breda met twee bestuursleden van de Coöp. Zuivelfabriek te Bavel en eventueel met twee leden van de Commissie van Toezicht vond goedkeuring.
    Betreffende de liquidatie hetzij door de Coöp. Zuivelfabriek te Breda, hetzij door de Coöp. Zuivelfabriek te Bavel kan men overeenstemming bereiken. Wel werd verzocht er voor zorg te dragen deze liquidatie zoodanig te doen geschieden dat geen der beide fabrieken eenig geld aan de belasting moet betalen.
    Het personeel der Coöp. Zuivelfabriek te Bavel moet in zijn geheel worden overgenomen door de Coöp. Zuivelfabriek te Breda en met klem werd er op aangedrongen dat vooral voor de directeur een hem passende betrekking moest worden gezocht, b.v. als Adjunct Directeur. Een goede Arbeidsovereenkomst, waarmede de beide vereeningen accoord te gaan, moet worden opgemaakt.
    Hoe de stemming geregeld moet worden zoolang de Coöp. Zuivelfabriek te Bavel als vereeniging lid is van de Coöp. Zuivelfabriek te Breda kwam ons bestuur niet overuit. Dit punt zal nog nader door de commissie bekeken moeten worden.

    Het bestuur van de Coöp. Zuivelfabriek “St. Brigida” te Bavel
    w.g. Voorzitter en Secretaris

    • 26 oct. 1956:
    • Bijeenkomst ten kantore van de fabriek te Bavel van beide besturen met de commissie melkverwerking, waarna de voorwaarden en verplichtingen nogmaals aan de orde werden gesteld, waarmee allen accoord konden gaan. De stukken werden door voorzitter en secretaris van beide fabrieken getekend. “St. Brigida” zal het voorstel eerst aan de algemene vergadering voorleggen, hetgeen ook een voorstel tot statutenwijzinging inhield.
    • 15 nov. 1956:
    • De algemene vergadering daartoe speciaal belegd, verwerpt het voorstel tot aanvraag van het lidmaatschap bij “St. Martinus” ,om dat geen 2/3 meerderheid van stemmen was te halen.
    • 7 maart 1957:
    • Dit zou een belangrijke dag worden voor de leden van de coöperatie. Na het formele gedeelte zoals behandeling jaarverslag 1956 en verkiezing van bestuursleden en leden van de Raad van Toezicht wordt de vergadering in het patronaat geschorst om bij café Bruininks de inwendige mens te versterken. Na hervatting van de bijeenkomst geeft de voorzitter de heer Janssens “nog enkele beschouwingen uit de zuivelwereld, zoowel van fabrieken die gecombineerd hebben als van andere die door grote investeringen voor zware lasten zijn geplaatst”. Dan wordt de aanvraag voor lidmaatschap bij “St. Martinus” te Breda in stemming gebracht. Deze wees uit dat 349 stemmen vóór waren , 6 blanco en 161 stemmen tegen, hetgeen betekende dat het voorstel met een 2/3 meerderheid was aanvaard. De statutenwijziging werd vervolgens zonder hoofdelijke stemming aangenomen.
    • 2 mei 1957:
    • De heren Adr. Janssens en H. Oomen werden gekozen en gemachtigd om aan de verdere besprekingen met “St.Martinus” deel te nemen.
    Nadat op 18 november 1957 ook het bestuur en de commissie van toezicht besloten heeft “St. Brigida” als lid aan te nemen werd de fusie met ingang van 20 november een feit. op 26 november werd de melk van de Bavelse boeren in Princenhage verwerkt, nadat daar de nodige voorzieningen door een verbouwing waren getroffen. Wij besluiten met de laatste alinea uit het notulenboek:

    De laatste voorzitter: Adr. Janssens

    Een aantal jaren geleden, het zal in 1978 geweest zijn, had de schrijver een gesprek met Adr. Janssens van Tervoort over zijn bestuursperiode in Bavel.
    Hij komt op je over als een ruimdenkend mens en vooral als een man met visie op de toekomst, iemand die nimmer de moed verliest. Al pratende kwam het gesprek voor een deel op “vroeger”. Zo vertelde hij, dat voordat er in Bavel een fabriek was, de koeien bij zijn vader nog wel eens in de “bottermeulen” gingen, om aldus de aandrijving te vormen van de karn die in de keuken stond. Iedere dinsdag ging zijn vader naar de botermijn in Breda.
    Ook verkocht hij boter aan winkels en particulieren. Toen in 1906 de fabriek in Ulvenhout werd opgericht slaakte het bestuurslid Corn. Janssens de verzuchting: “Wat jammer dat de melk niet op één fabriek verwerkt wordt, dit is geen goede zaak.”
    De dag van de algemene vergadering was voor de Bavelse boeren een uitgaansdag, welke ‘s morgens om 7 uur met een H.Mis begon.
    Adr. Janssens herinnert zich maar al te goed dat hij met een kar een vracht musterd naar bakker Kerremans in de Boschstraat in Breda moest brengen en dat hij dan de boeren tegemoet kwam die in een opperbeste stemming ter vergadering togen.
    De zondag was voor de bestuurders en een aanzienlijk deel der boeren een ontmoetingsdag, want na de Hoogmis trof men elkaar in de beide plaatselijke café's vlakbij de kerk. Niet alleen vanwege het borreltje, maar hoofdzakelijk om het nieuws te bepraten en uit te wisselen.
    Zo bleef men op de hoogte wat er in het dorp gebeurde en onder de boeren leefde. Als bestuurslid, zo merkte hij op, was je min of meer verplicht aanwezig te zijn op dit borreluur. Naargelang het jaargetijde zal zijn verstreken, zullen ook de onderwerpen als het weer, de voederwinning, de oogst van het graan, de prijzen van het vee, de boterprijs, de zure melk, kritiek op het bestuur van de coöperatie en de gewone roddelpraat wel aan de orde geweest zijn.
    Zakelijk en persoonlijk heeft hij als laatste voorzitter van “St. Brigida” én grote promotor van meer samenwerking, blijk gegeven te beschikken over echte leiderscapaciteiten.

    1940 - 1945

    De oorlogsdagen zijn niet zonder gevolgen en zorgen aan de Bavelse gemeenschap en boeren voorbijgegaan. Wij beperken ons uitdrukkelijk tot die zaken welke in verband met ons thema relevant zijn.
    De in het najaar van 1939 onder de wapenen geroepen veearts Boots kon zijn praktijk niet meer uitoefenen. Een plaatsvervanger voor hem was niet te vinden. Dit bracht de bestuurderen ertoe om een verzoek aan de minister te sturen om Dr. Boots vrij te krijgen. Voor zover bekend kreeg men nul op het request!
    Boter was ook in de meidagen van 1940 een gewild artikel, want “tijdens de evacuatie en de bezetting van Bavel door de duitse troepen bleek 2358,4 kg boter spoorloos verdwenen te zijn”.
    Pas een jaar later werd een schadeloosstelling voor de ontvreemde boter ontvangen. Adr. Janssens (IJpelaar) en C. van der Laar ontvingen elk .f 5,- beloning voor de moeite, daar zij als getuigen waren opgetreden.
    Zo kon b.v. wegens gebrek aan kasgeld het melkgeld niet geheel uitbetaald worden; men moest later beginnen met het melkontvangen; er werden allerlei verplichtingen opgelegd terzake van melklevering aan andere melkinrichtingen en de distributiebonnen voor boter en pap waren zaken die als verstoring van de gewone orde werden ervaren.
    Overigens moeten wij constateren dat in de notulenboeken weinig over de oorlogsomstandigheden gerept werd. Enkele passages vinden we in november 1944. In het strijdgewoel rond de bevrijding van Bavel zijn de fabriek en direkteurswoning er met lichte glasschade afgekomen.
    Wij citeren:
    “Gedurende de laatste tijd dat de duitsers hier den scepter zwaaiden heeft de direkteur het voor elkander weten te boxen dat de burgers in Breda dagelijks toch hun portie melk kregen en de duitsers zo weinig mogelijk boter gegeven. Met behulp van een gecamoufleerde boekhouding van de melkaanvoer en de daaruit bereide boter heeft hij de duitsers misleid. Een eresaluut aan onzen direkteur!”
    “Door de vele boerderijen die afgebrand zijn is er bij verschillende leden een tekort aan kannen. Van degenen waar hun bonnen verbrand zijn besloot men hen toch van boter te voorzien”.
    “De fabriek in Gilze is zo zwaar beschadigd, dat een gedeelte van de melk in Bavel wordt verwerkt (ook in Rijen en Riel werd een deel van de melk van Gilze verwerkt). Dit geschiedt tegen kostprijs.”
    De fabriek had een groot tekort aan volle melk (zie ook bijlage 3), reinigingsmiddelen, brandstoffen, kannen, emmers, teemsen en ook aan personeel. Dit maakte het toch wel erg moeilijk om goede melk aan de slijters af te leveren, want “heel veel melk kon het koken niet verdragen”. Het was weliswaar terecht dat de slijters daarmee problemen hadden en een extra daarvoor bijeen geroepen vergadering van slijters kon aan de overmacht waarvoor de fabriek zich gesteld zag, ook niets veranderen. Na enige tijd werd de kwaliteit weer beter en verdwenen de klachten.
    De gevolgen van de schaarste werden nog jaren lang gevoeld. Ter illustratie moge het volgende voorbeeld dienen. “Op 10 maart 1944 werd bij de Machinefabriek “Breda” een "eencylinder stoommachine, in horizontale uitvoering” besteld voor de prijs van f 10.000,-.
    Maar zo eenvoudig ging dat niet, want via speciale formulieren moest de fabriek een materiaaltoewijzing aanvragen, waaruit duidelijk de noodzaak van de aanschaffing moest blijken. Vervolgens diende men een koopvergunning aan te vragen bij het Bedrijfschap voor Zuivel in Den Haag. Op 5 juni 1945 laat de machinefabriek ”Breda” evenwel weten:
    “ Uw vraag betreffende de machine voor de Zuivelfabriek te Bavel moeten wij U mededeelen dat daaraan op het oogenblik niet kan worden gewerkt, met het oog op zeer urgente orders voor Rijkswaterstaat, Spoorwegen en het gebrek aan electrische stroom”
    In februari 1947 werd de stoommachine afgeleverd en op 6 juli 1948 werd het dossier over deze levering gesloten. Maar de leden werden wel uitgenodigd om de nieuwe aanwinst te komen bezichtigen.



    Algemene wetenswaardigheden

    Lidmaatschappen

    Dat een vereniging zelf ook lidmaatschappen kent zal voor de meeste lezers wel duidelijk zijn. Zo gold dit ook voor “St. Brigida”, al moet wel gezegd worden dat de Bavelse boeren wat dit betreft zeker niet de eersten om waren zich ergens bij aan te sluiten. Een wat aarzelende houding en afwachtend hoe een en ander zou verlopen, kunnen toch wel karakteristiek genoemd worden voor de bestuurders van deze coöperatie. Wij laten hieronder een overzicht volgen van de min of meer verplichte lidmaatschappen.

    • 7-3-1910
    • Het contract werd getekend met het botercontrole station te Eindhoven.
    • 10-7-1917
    • Besloten werd lid te worden van de Noordbrabantse Zuivelbond en de exportvereniging.
    • 18-4-1928
    • Met algemene stemmen besloten lid te worden van de Boerenleen bank.
    • 19-7-1937
    • Het aanvraagformulier om toegelaten te worden als lid van het Zui vel Kwaliteits Bureau werd door het bestuur getekend.
    • 7-2-1939
    • Toestemming van de algemene vergadering om lid te worden van een ondermelkverkoopvereniging te Breda, waarbij ondermelk verwerkt zou worden tot caseïne.
    • 15-3-1948
    • Besloten werd tot aansluiting bij de Provinciale Gezondheidsdienst voor dieren.

    Verzekeringen

    De overvloed van allerlei verzekeringsvormen was in die eerste jaren nog niet bekend of van node. De fabriek tegen brandschade verzekeren, ”welke de kleinste premie vorderde”, was in het oprichtingsjaar toch een wijs besluit. Deze werd opgedragen aan de maatschappij “de Nederlanden", waarvan de direkteur de heer Em. de Bruyn de “minste inschrijver” was met f 1,15 per mille.

    Ook werd tezelfdertijd besloten de direkteur en het personeel te verzekeren tegen “ongelukken”.

    In 1921 werd besloten tot het sluiten van een levensverzekering voor de direkteur tot 2/3 van het salaris van dat moment en de premie zou f 260,- per jaar bedragen. In 1927 werd bepaald dat hij zelf een levensverzekering diende af te sluiten.




    Water

    Voor een boterfabriek is water een noodzakelijk produkt, maar ook voor de brandweer. Deze combinatie werd al in 1927 in een algemene vergadering aan de orde gesteld. Aan de koudwaterbak werd “eene kraan bevestigt om hieraan de slangen van de brandspuit te bevestigen”.
    In oktober 1932 zou de gemeenteopzichter komen kijken waar men een afsluiting in de riolering zou kunnen maken om ingeval van brand “de pomp van de fabriek te laten werken, het water in de riolering op te houden en zodoende water voor de brandspuit te krijgen”. Waarschijnlijk was deze maatregel noodzakelijk doordat na de verbouwing in 1930 de aansluiting niet meer aanwezig was.

    Voordat men overging tot het slaan van een nieuwe bron besloot men:

    “een wichelroedeloper te laten komen om de plaats van een nieuw te boren waterbron vast te stellen. Tevens zal men, mits de gemeente ook een tegemoetkoming in de kosten wil geven deze put geschikt maken dat de brandweer er ook op kan aansluiten”.

    De bron kwam in augustus 1944 klaar en gaf 36 m3 water per uur. Of de brandweer hem mocht gebruiken is ons niet bekend. Een goede watervoorziening was overigens nog niet op alle boerderijen gerealiseerd. Dit bleek o.a. uit een verzoek in 1954 van Jan Huybrechts, Adr. Pelkmans en Jan Tielemans:
    “om hun melkrijders gelegenheid te geven een kan water voor hen mee te brengen, daar zij op hun bedrijf over geen drinkwater beschikken, wat toegestaan wordt”. 
    Tenslotte nog
    “Daar er niets te vergaderen viel werd de avond in een ontspannen sfeer doorgebracht.” (18 nov.1949)

    “Op de bestuursvergadering van de controlevereniging zal men de leden een sigaar presenteren.” (18 jan. 1954). Uit eigen kistje??

    Jubileumvieringen

    Het 25-jarig bestaan

    Van de viering van het 25-jarig bestaan van de coöperatie en van de fabriek kwam in 1926 niet veel terecht, vermoedelijk ook vanwege de ondermelkkwestie. Hoe het feest overigens gevierd is, staat nergens beschreven. Wel wordt melding gemaakt van de afspraak die de voorzitter heeft gemaakt met:


    “den humorist de Bont”
    “Zijn goede reputatie's welke men van hem heeft ingewonnen en met tevens zijn goed voorkomen en zijne welsprekendheid heeft het bestuur doen besluiten hem ook te vragen het feest van de coöperatie wat op te vroolijken”.

    Ja, wat meer vrolijkheid kon geen kwaad, dat was goed gezien. Daarvoor betaalde men aan de Bont f 50,- en vrij logies. Ook anderen deelden in de (feest)vreugde zoals de melkrijders die f 2,50 extra uitbetaald kregen, de harmonie die f 25,- zou ontvangen voor een te brengen serenade en dan nog Jan van Opstal in 't Ginneken waar vlees werd besteld voor ƒ0,65 per pond.

    De kosten van het zilveren feest beliepen in totaal .f 1.075,-. In navolging van andere zuivelfabrieken werd met het oog op het 25-jarig bestaan van de Coöperatie met algemene stemmen van de leden goedgevonden om de intronisatie van het H. Hart te laten plaats vinden op 17 april en tevens een beeld van het H. Hart aan te brengen. Dit beeld dat stond aan de binnenmuur van de melkontvangst, juist aan de andere zijde van de muur waar de beeltenis van St. Brigida prijkte, werd in oktober 1977 door C.v.d. Broek uit Breda van de sokkel genomen. 

    Het 50 jarig bestaan

    Van dit op waardige wijze gevierde feest werd door de secretaris een apart verslag gemaakt. Wij laten dit onverkort volgen.

    "Op 22 mei 1951 werd dan op luisterrijke wijze het feest herdacht, dat de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “St. Brigida” 50 jaren heeft bestaan. Deze onvergetelijke dag werd begonnen met een gezongen H. Mis in de parochiekerk opgedragen door onze Hoogeerwaarde Adviseur Pastoor Doens voor de levende en overleden leden van de vereeniging en na de H. Mis een plechtig Te Deum. Alle leden met hun echtgerioote waren hier tegenwoordig.

    Van II tot 12 uur had de receptie plaats in het café van Jac. Bruininckx. Een 20 tal bloemenmanden, geschonken door diverse vereenigingen en personen, zorgde er voor dat het bestuur als het ware in de bloemen was gezet. Door zeer velen zoowel leden van de vereeniging, als wel belanghebbenden en belangstellende uit den omtrek werd van deze gelegenheid gebruik gemaakt om het bestuur te feleciteren. Om halfeen was men wederom bijeen ten huize van de directeur, waar een eenvoudige maaltijd werd aangeboden door het bestuur en waar tegenwoordig waren Burgemeester en Wethouders der Gemeente, de rijkszuivelconsulent v.d. Vring, de directeur van de ZEV den heer van As, een afgevaardigde van de Brab. Zuivelbond, den heer Huij- bers, Zeer Eerw. Heer Pastoor, Wel- eerw. Heer Kapelaan, alsmede het bestuur met de directeur.

    Om half drie begon de feestvergadering in een tent, die voor deze gelegenheid was gehuurd van Donkers te Oosterhout en plaats bood voor circa 450 personen en welke tent was geplaatst op een terrein van Fr. v.d. Avoort nabij de fabriek. Op deze feestvergadering waren genoodigd alle leden van de coöperatie met hun echtgenoote. Onze voorzitter den heer Oomen opende de feestelijkheden met een feestrede, waarin hij op de eerste plaats aanhaalde onder welke omstandigheden voor 50 jaren terug, de melk werd gewonnen op de boerderij en onder welke omstandigheden die melk dan werd gekarnd.

    Hoe die boter vervolgens verkocht werd voor een gedeelte aan vaste klanten en voor een gedeelte terecht kwam op de botermijn, waar zij dan werd verknoeit met margarine en zoo weer bij de burgerij op tafel kwam. Dat door het stichten van de boterfabriek het werk van de boerderij verplaatst werd naar de fabriek en hoe dit kleine onnoozele boterfabriekje van voor 50 jaren terug uitgroeide tot de fabriek van thans die in 1950 ruim 5.000.000 kg melk verwerkte. Wie de initiatiefnemers waren om een dergelijke coöperatie te stichten en wie men in al die jaren als directeur heeft gehad.

    Enkele bijzonderheden tijdens haar bestaan werden door de voorzitter nog vermeld waarna als 2e spreker optrad onze Geestelijk Adviseur, die in welgekozen woorden het publiek deed genieten van zijn sprekerstalenten. Dan werd het woord nog gevoerd door de Edelachtbare Heer Burgemeester van Nieuw-Ginneken (Rouppe van der Voort), door den Heer van As, directeur van de ZEV, door den heer v.d. Vring Rijks Zuivelconsulent, door de heer Huijbers afgevaardigde van de Brab. Zuivelbond en door Mej. Oomen voorzitster van de Boerinnenbond alhier. De directeur gaf nog een beknopt verslag over de gang van zaken en de melkaanvoer tijdens haar 50 jarig bestaan.

    Om 5 uur werden de gasten onthaald aan een brabantse koffietafel bestaande uit broodjes met vleesch en koffie ofwel thee. Na afloop hiervan kregen de mannen een builtje met 5 sigaren ofwel sigaretten en de vrouwen een zakje met bonbons. Om half zeven trad het cabaret gezelschap "De vrije spelers" uit Tilburg op om de gasten gedurende het verdere verloop van de dag aangenaam bezig te houden met muziek, dans enz. Gedurende de avond werd de gasten nog chocomel, limonade en alcoholvrij bier aangeboden. Om half twaalf keerde allen voldaan huiswaarts.”

    Wij kunnen daar nog het volgende aan toevoegen. Op woensdag 23 mei om 4 uur n.m. werd het feest gehouden voor alle inwonende gezinsleden voor zover deze de lagere school hebben verlaten en in het bedrijf meewerkten. Ook de knechten en dienstboden waren uitgenodigd, evenals het personeel van de fabriek en slijters met hun echtgenoten. Het programma was verder gelijk aan de vorige dag.

    Door het gemeentebestuur van Nieuw-Ginneken werd ter gelegenheid van het gouden feest een voorzittershamer met inscriptie aangeboden aan de voorzitter. Deze hamer is tot op heden bewaard gebleven en in het bezit van de heer E.H.Th.M. de Kroon in Breda.

    Na de bestuursvergadering van 6 oktober 1951 kwam de harmonie een serenade brengen ter herinnering dat het 50 jaar was geleden dat de fabriek in werking trad.


    56 jaar in cijfers

    Wij het overzicht op bijlage 3 lijkt het ons wel interessant wat opmerkingen in algemene zin te maken. De bronnen waaruit de cijfers verkregen zijn waren:
         * de notulenboeken van de bestuurs en algemene vergaderingen
         * het ledenregister van de vereniging
         * jaarverslagen vanaf 1927
    De kolommen: kg melk per koe en kg melk per bedrijf zijn toegevoegd aan de hand van berekeningen op grond van het feit dat deze kengetallen ook nu nog gehanteerd worden bij het inzicht betreffende opbrengsten en bedrijfsgrootte.

    Daar van de hoeveelheid ontvangen melk, het vetgehalte en de geproduceerde boter over de jarer 1926 en 1943 geen gegevens meer te achterhalen waren, zijn terwille van het overzicht deze berekend uit voorgaande en volgende jaren. De fout die daarmee gemaakt wordt is zodanig klein dat ze te verwaarlozen is.

    Bezien wij het totale beeld, dan blijkt dat vanaf de oprichting in 1901 tot aan ca. 1916 - 1917 er een zekere stabiliteit valt te zien in de aanvoer van de hoeveelheid melk, de produktie van boter, alsook in de opbrengstprijzen daarvan. In dit opzicht dus geen schokkende jaren. Hetzelfde kan gezegd worden van de kosten uitgedrukt per 100 kg melk.

    Het gemiddelde jaarlijkse vetgehalte steeg van 3,07% in 1909 tot 3,71% in 1956 maar de stijging begon zich pas echt in te zetten aan het eind van de dertiger jaren (dus na de grote economische malaise). Gedurende de periode van de Eerste Wereldoorlog was de melkprijs voor de boeren veruit het beste.

    Een lagere aanvoer ontstond mede doordat de melk op de boerderij bleef voor het mesten van kalveren. Ook de in die periode voorkomende en gevreesde ziekten als mond en klauwzeer droegen daaraan bij. Jammer is echter dat wij geen cijfers konden vinden van koeietellingen over de periode 1916 - 1923.

    Vanaf 1941 steeg de melkprijs gestadig van f 6,- tot ruim f 20,- in het begin van de jaren vijftig en bleef toen vrij constant.

    Een opmerkelijk gegeven is ook de invloed van die eerste crisisperiode op de hoogte van de boterprijs, waarbij het dieptepunt lag in 1933 - 1934 met f 1,14 per kg! Na 1946 herstelde de boterprijs zich tot een vrij stabiel niveau van rond f 4,- per kg.

    De invloed van de bezettingsjaren is in alle opzichten duidelijk aanwijsbaar. Het aantal melkgevende koeien daalde en ook de hoeveelheid melk die werd geleverd. Een andere voorname factor hierin was, dat heel veel boeren zelf gingen karnen en kaas maken om in de eigen behoefte en in die van anderen te voorzien. Boter was immers op de bon! In alle jaren van het bestaan van de coöperatie vertoonde de hoeveelheid aangevoerde melk in 1944 een absoluut dieptepunt van 1,7 miljoen kg. De naderende frontlinie van de geallieerden en het terugtrekken van de Duitsers waren daar mede debet aan. Wie herinnert zich niet de talloze kapot en in brand geschoten boerderijen en het dode vee in de weilanden? Ieder, die dit heeft meegemaakt kan daarover zijn eigen verhaal vertellen.

    Even opmerkelijk is het herstel in de jaren daarna en in 1949 kwam men voor het eerst boven het getal van 5 miljoen kg uit. Het aantal leden van de coöperatie steeg van 88 in 1901 tot ca. 180 in de tweede helft van de jaren twintig en bleef tot aan de fusie met “St. Martinus” te Breda in 1957 vrijwel op hetzelfde niveau. De kosten per 100 kg melk stegen met name vanaf 1950 sterk en daar de noodzakelijk uit te voeren investeringen om in Bavel met de tijd mee te kunnen gaan, wel eens zeer ingrijpend zouden kunnen zijn, kwam terecht bij de bestuurderen de vraag op tafel om een fusie met een ander bedrijf (coöperatie) te overwegen.

    Op zichzelf hebben de cijfers in het bewuste overzicht niet zoveel waarde, doch als

    Bron: Boekje Boeren en Boter in Bavel, Ben Hulshof