HOME
Bron: Stadsarchief gemeente BREDA

A. INLEIDING

De gemeente Nieuw-Ginneken kwam voort uit de per 1 januari 1942 opgeheven gemeente Ginneken en Bavel. Deze gemeente lag ten zuid-oosten van Breda en was vanaf 1795 de voortzetting van de oud heerlijkheid Ginneken en Bavel, dat dezelfde ge-biedsgrenzen kende. Bij de opheffing van de gemeente Ginneken en Bavel per 1 januari 1942 ging met name het verstedelijkte deel van het gebied over naar Breda, terwijl het plattelandsgebied ondergebracht werd bij de nieuwe gemeente Nieuw-Ginneken. Hiervan zou in 1961 nog een deel naar Breda gaan, namelijk Heusdenhout en een deel van de wijk Ypelaar.

Globaal kon de oude gemeente Ginneken en Bavel ingedeeld worden in zeven gebieden, te weten:

De totale oppervlakte van de voormalige gemeente Ginneken en Bavel bedroeg 5735 hectare.

Eeuwenlang groeide de bevolking van de heerlijkheid Ginneken en Bavel maar zeer langzaam. Rond het jaar 1500 telde zij zo'n 1100 inwoners, twee eeuwen later was de bevolking aangegroeid tot zo'n 1800 zielen.

In het begin van de 20e eeuw telde Ginneken en Bavel ruim 5000 inwoners, in 1941 waren dit er iets meer dan 16000 en in 1980 woonden in hetzelfde gebied van de -vroegere- gemeente Ginneken en Bavel bijna 50.000 mensen.

In 1900 stonden er binnen de gemeentegrenzen van Ginneken en Bavel bijna 1400 huizen en rond 1980 stonden op hetzelfde grondgebied (Breda Zuid-Oost, Heusdenhout en Nieuw-Ginneken) in totaal 12.213 woningen. Van de huizen uit 1900 of daarvoor is er nog maar een klein aantal over.

Vanaf circa 1900 kwamen ook in Ginneken en Bavel de nieuwe ontwikkelingen op maatschappelijk en sociaal-economisch terrein naar voren; binnen 2 0 jaar werden in de drie parochies drie nieuwe kerken gebouwd, er kwamen nieuwe scholen, nieuwe fabrieken, vele wegen werden verhard en verbeterd, een ziekenhuis (Laurentiusziekenhuis) kwam tot stand.

Ook de landbouw begon zich te organiseren. Boerenbonden, tuinbouwverenigingen, melkfabrieken en boerenleenbanken werden opgericht. Zo had Ginneken en Bavel de eerste elektriciteitsmaatschappij van heel de omgeving en brandden daar het eerst de elektrische straatlantaarns.

De gemeenteraad van Ginneken bestond op 1 januari 1900 uit 11 personen, mr. Willem H.E. Baron van de Borch was de burgemeester (16 april 1881- 24 april 1908) .

Deze werd, opgevolgd door W.C.J. Passtoors (27 juni 1908-8 mei 1916), waarna jhr. mr. Theodore Emanuel Serraris (17 juli 1916-31 december 1941) de laatste burgemeester van Ginneken en Bavel zou zijn. Zowel in de gehele 19e als in de eerste twee decennia van de 20e eeuw werd de gemeenteraad van Ginneken gedomineerd door een meerderheid van "grote boeren", al dan niet met "gegoede" burgers als bierbrouwers, aannemers, molenaars e.d. De gehele begroting van de gemeente draaide om zo'n F. 30.000,-.

In 18 91 werd een nieuw postkantoor te Ginneken gebouwd en in 1901 kwam daar nog de nieuwe school te Bavel bij, er werd een nieuw schoollokaal bij de openbare school te Ginneken gebouwd en er werden aanschaffingen gedaan ten behoeve van nieuwe brandblusmiddelen. Ook een vernieuwing van de Duivelsbrug werd gerealiseerd. Over de rivier "De Mark" lagen slechts drie bruggen, te weten: de "Duivelsbrug" ten westen van de dorpskom van Ginneken en verder bij Daesdonk de "Schele Brug" en tussen Galder en Strijbeek de zogenaamde "Nieuwe Markbrug".

Het verkeer en vervoer vond nog grotendeels plaats met paard en wagen en de tram. Op 5 november 1883 werd de "N.V. Ginne-kensche Tramweg-Maatschappij" opgericht. De eerste tramlijn vertrok bij het station te Breda en liep door de binnenstad naar het Van Coothplein en verder over de Nieuwe Ginneken-straat, Wilhelminastraat, Ginnekensche Steenweg (later de Ginnekenweg) naar de Raadhuisstraat, waar het eindpunt net voorbij het raadhuis van Ginneken was gelegen. In 1903 werd een nieuwe lijn aangelegd van de Ginnekenmarkt tot de splitsing in de Dorpsstraat te Ulvenhout. Twaalf keer per dag reed op dit lijntje een tram van Ulvenhout naar het Ginneken en terug.

De politie bestond destijds uit een drietal veldwachters en een nachtwaker. De veiligheid was gunstig te noemen, er werd echter wel veel gestroopt. Bij Strijbeek was een brigade marechaussee gelegerd om de veiligheid aan de landsgrenzen te verhogen en te bewaken.

In de gehele gemeente Ginneken en Bavel waren drie brandspuit-huisjes te vinden, namelijk te Ginneken, Bavel en in Ulvenhout. De brandweer bestond uit vrijwilligers. Aan het hoofd van de vrijwillige brandweer stond een opperbrandmeester met onder hem enkele brandmeesters.

De overgrote meerderheid van de bevolking was rond de eeuwwisseling rooms-katholiek. Een klein gedeelte was protestant, hoofdzakelijk Nederlands Hervormd.

In 1914 werd de Invaliditeitswet van kracht (5 juni 1913). Tal van behoeftigen konden worden geholpen. Vooral artikel 369 van de wet was voor velen een uitkomst. Vandaar de lokale uitspraak: "Drie-zes-negen, is een zegen !".

In Ginneken en Bavel zelf was niet zo veel industrie. Aanwezig waren een kunstwolfabriek, een mosterdfabriek en een metsel-speciefabriek van Verlegh. Te Bavel werd in 1902 de "Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Sint-Brigida" geopend. In 1957 werd voornoemde fabriek gesloten.

In Ulvenhout werd in 1906 een coöperatieve melkfabriek gestart, de "St. Laurentius Melkfabriek". In 1967 werd deze fabriek gesloten.

Na de Bredase annexatie van 1927 van gedeelten van de randgemeenten Teteringen en Princenhage (Ginneken en Bavel bleef vrijwel buiten schot) begon in de tweede helft van de dertiger jaren in Breda het annexionisme sterk op te leven. De nieuwe burgemeester van Breda, B.W.Th. van Slobbe, stelde dat een goede oplossing van de grenzenproblematiek van de stad Breda bij hem grote voorrang genoot.

Op 21 april 1937 deelde burgemeester Van Slobbe zijn collega's van Ginneken en Bavel, Teteringen en Princenhage mede, dat het gemeentebestuur van Breda bij Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant een verzoek tot wijziging van de gemeentegrenzen had ingediend. Enkele maanden later richtte Breda een schrijven aan de minister waarin argumenten opgesomd werden, waarop Breda meende te moeten steunen om de grote annexatie van Princenhage-Zuid, Ginneken-Noord en een groot gedeelte van Teteringen door te kunnen laten gaan. De drie genoemde gemeenten weerden zich krachtig, doch eind 1939 stelde Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de betrokken gemeenten in kennis van hun voornemen tot uitbreiding van de gemeente Breda, met gedeelten van de gemeenten Ginneken en Bavel, Princenhage en Teteringen. De opheffing werd definitief een feit bij beschikking van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken van 23 december 1941, nr. 42483 B.B. (=Bureau Staats- en Administratief Recht). De gemeenten Ginneken en Bavel en Princenhage werden opgeheven en grote gedeelten van die gemeenten werden bij Breda gevoegd. Uit de overgebleven gedeelten onstonden nieuwe gemeenten, namelijk Beek N.B. (later Prinsenbeek) en Nieuw-Ginneken. 1)

De gemeente Nieuw-Ginneken werd ingesteld op 1 januari 1942 en telde 5581 inwoners en zo'n 1000 woningen. In dat jaar ontstond zij uit de opgeheven gemeente Ginneken en Bavel, waarvan het dorp Ginneken op die datum naar de gemeente Breda is overgegaan. Van de 17.127 inwoners van de oude gemeente gingen er 11.628 naar Breda over,- het restant ging deel uitmaken van de nieuw gevormde gemeente Nieuw-Ginneken.

Per 1 januari 1942, bij het ontstaan van de gemeente Nieuw-Ginneken, bedroeg de oppervlakte van de gemeente 4490 hectare. De gemeente was destijds verdeeld in drie wijken, namelijk wijk A (Heusdenhout) , wijk B (Bavel) en wijk C (Ulvenhout) . Het merendeel van de grond was in gebruik ten behoeve van de land-en tuinbouw alsmede ten behoeve van de veehouderij. Het gebied van de gemeente Nieuw-Ginneken is zeer bosrijk waardoor de gemeente tevens een recreatieve functie heeft. Recreatieve mogelijkheden waren genoegzaam aanwezig in de vorm van fietsen, zwemmen, wandelen, paardrijden, sporten e.d.

Per 1 januari 1960 was het aantal inwoners gestegen tot 7502 personen.

Door grenscorrecties o.a. in 1948, 1961 liep het grondgebied

in oppervlakte terug naar 4209 hectare. Per 1 januari 1970 telde de gemeente 8387 inwoners. De omvang van het grondgebied is sindsdien niet meer gestegen en het aantal inwoners bedroeg uiteindelijk per 31 december 1996 12000 personen.

Van de oppervlakte van voormalig Ginneken en Bavel ter grootte van 5725 ha. was in 1942 1235 ha. naar Breda gegaan. De eerste grenscorrecties dienden zich al aan in 1948. Het ging om het recht trekken van een klein gedeelte van de Gouwbergseloop of Strijbeeksebeek. Het handelde om enkele vierkante meters, ongeveer evenveel Nederlandse als Belgische grond betreffend (gemeentegrenzen Meerle en Nieuw-Ginneken). Noch op het Nederlands gebied als op het Belgisch gebied woonden "landgenoten". Haast onopgemerkt ging op 1 juni 1961 447 hectare grond over naar de gemeente Breda. Dit waren grondgebieden van de gemeenten Teteringen en Nieuw-Ginneken. Deze gebiedstoewijzing aan Breda betrof in hoofdzaak Heusdenhout en een klein gedeelte van de vroegere wijk Ypelaar, juist ten noorden van het vroegere gelijknamige Klein-Semenarie. Hiermede verloor Nieuw-Ginneken 320 hectare, waardoor haar omvang terugliep tot 4181 hectare.

In het midden van de zestiger jaren begon Breda weer te denken aan gebiedsuitbreiding. De Haagse Beemden van de gemeente Prinsenbeek werden in 1976 bij het grondgebied van Breda toegevoegd. Breda zou nu voor een genoeg aantal jaren bouwgrond hebben door deze toevoeging.

Per 1 januari 1997 ging de gemeente Nieuw-Ginneken grotendeels op in de nieuwe gemeente Breda. Verderop in de inleiding wordt hierop teruggekomen, met name in rubriek V "Opheffing van de gemeente Nieuw-Ginneken".

Nieuw-Ginneken omvatte twee kerkdorpen met uitgebreide woonkernen, namelijk Bavel en Ulvenhout. Behalve deze twee kerkdorpen waren er nog twee kleine kernen: Strijbeek met de kapel van de H.Hubertus, gelegen aan de Belgische grens en Galder met de kapel van de H.Jacobus. Verder telde Nieuw-Ginneken nog een aantal buurtschappen: Notsel, Heerstaaien, Rakens, Cauwe-laer, Geersbroek, Bolberg, Eikberg, Tervoort, Lijndonk en Grazen.

Nieuw-Ginneken bezat verschillende historische bezienswaardigheden zoals kerken, boerderijen, molens, kapellen, bouwfrag-menten en woonhuizen. Daarnaast kende de gemeente diverse landgoederen, zoals Anneville, Daesdonck, Grimhuysen, Honds-donk, Koekelberg, Luchtenburg, Valkenberg, De Grote Ypelaar. Natuurmonumenten zijn het Ulvenhoutse Bos, De Vennen en de rivier "De Mark".

Het woongebied van Nieuw-Ginneken is zeer oud, zoals blijkt uit bodemvondsten die ca. 6 0 jaar geleden werden gedaan in Strijbeek (urnenveld) en in Heerstaaien. De Strijbeekse vondsten betroffen Germaans aardewerk en urnen met La Tènevorm. In 1979 werd een vuurstenen werktuig gevonden welk op een ouderdom geschat wordt van 40.000 jaar. Dit werktuig zou dus stammen uit het Midden-Paleolithicum.

De Tweede Wereldoorlog was voor de gemeente ook een donkere tijd. Het verenigingsleven lag grotendeels stil. Vervelende zaken voor Nieuw-Ginneken waren bijvoorbeeld de paardenvorderingen, inlevering van radiotoestellen, koper, dekens, het weghalen van (kerk)klokken, inkwartiering van Duitse soldaten en legering van Duitse soldaten in openbare gebouwen en patro-naatszalen.

Op 28 en 29 oktober 1944 werden Bavel, Ulvenhout, Galder en Ginneken-dorp bevrijd. Op 18 maart 1945 woonde H.M. Koningin Wilhelmina in de Grote Kerk van Breda een kerkdienst bij. Op 3 mei 1945 vestigde H.M. de Koningin zich op het landgoed Anne-ville. Het was ook op dit landgoed dat de Koningin op vrijdagavond 4 mei vernam dat Duitsland zou kapituleren, waarna op 9 mei een georganiseerde hulde werd gehouden. Het gehele terrein was feestelijk versierd. De volgende morgen waren H.M. de Koningin en haar dochter Prinses Juliana vertrokken. Nieuw-Ginneken was geen residentie meer !

De oorlog was voorbij en de wederopbouw kon van start gaan. In de vijftien jaar na de oorlog werden er in de gemeente meer dan 500 woningen gebouwd, hoofdzakelijk in de beide kerkdorpen Ulvenhout en Bavel.

Bij Koninklijk Besluit van 3 augustus 1948, no. 19 stelde de Hoge Raad van Adel de gemeente Nieuw-Ginneken in het bezit van een eigen gemeentewapen (zie: Bijlage 3).

Vijf nieuwe scholen werden opgericht, een zevental kilometer wegen werd verhard, alle woningen werden aangesloten op het waterleiding- en elektriciteitsnet. Het inwoneraantal groeide van de 6000 in 1945 naar bijna 7500 in 1960. Vooral de particuliere woningbouw kwam na 1955 goed op gang.

In 1961 werden, zoals vermeld, Heusdenhout en de zuid-oosthoek van Ypelaar aan de gemeente Breda overgedragen.

Hoewel Breda in 1976 de Haagse Beemden als bouwgrond van Prinsenbeek toegevoegd had gekregen raakte haar bouwgrond sneller op dan was voorzien, mede gelet op het aanwijzen van de gemeente als groeistad en stedelijk knooppunt door het Rijk. Bovendien raakte de beschikbare bouwruimte in de randgemeenten op door de ook daar voortschrijdende woningbouw (zestiger en vooral begin zeventiger jaren).

De gemeente Breda werd in de zeventiger jaren in het zuidoosten tot aan de gemeentegrens volgebouwd en nieuwe bouwgrond voor de gemeente Breda moest gevonden worden. Tussen Bavel en Dorst werd een grote nieuwe woonwijk gepland.

Opmerkelijk in de periode 1960-1980 was de heropkomst van het openbaar lager onderwijs en kleuteronderwijs. Zo werden in Ulvenhout in 1975 een openbare school en vier jaren later een openbare kleuterschool opgericht.

Verder waren er in Ulvenhout twee grote bijzondere scholen, o.a. "De Rosmolenschool", een 12-klassige school en de "Maria-school". In Bavel kwam achter de oude jongensschool ("Alouisi-usschool") een nieuwe kleuter- en basisschool tot stand, die de naam "Tweeschaar" kreeg.

Op 14 september 1979 werd ook te Bavel een nieuwe kleuter- en lagere school geopend geheten "De Brigidaschool". Opmerkelijk was dat tot 1990 het kerkdorp Bavel alleen katholiek onderwijs kende. Openbaar onderwijs was er tot 1990 niet. Pas in 1991 deed het openbaar onderwijs zijn intrede. Ook kwam in Bavel in 1990 het eerste kinderdagverblijf tot stand.

In het centrum van Ulvenhout ligt "De Pekhoeve", welke door de gemeente Nieuw-Ginneken werd aangekocht en geheel gerestaureerd. Op 22 mei 1976 werd "De Pekhoeve" officieel in gebruik genomen. Vaste gebruikers zijn onder andere de School voor Muzische Vorming, het Peutercontact en de r.k. Bond voor Bejaarden en Gepensioneerden. Daarnaast werden en worden er vele jubilea en koffieconcerten van de Nieuw-Ginnekense harmonieën en muziekgezelschappen in de boerderij gegeven. Door de aanleg van een klein dierenpark en de herbouw van het oude bakhuis alsmede de instandhouding van de landelijke omgeving rond de oude bedrijfsgebouwen werd het landelijk karakter op "De Pekhoeve" behouden.

Nieuw-Ginneken werd ook geconfronteerd met de aanleg van een nieuwe verkeersweg (snelweg), de A 58 of Rijksweg 58, die de diverse dorpskommen definitief van elkaar scheidde. Bavel werd omsingeld door een grote lus van deze Rijksweg aan de westelijke en zuidelijke zijde.

Op 1 januari 1967 bestond de gemeente Nieuw-Ginneken 25 jaar. Vanwege dit heuglijk feit werd onder meer voorgesteld om een bepaalde straat te vernoemen naar oud-burgemeester en eerste ereburger J.A.M. Rouppe van der Voort. Een aktiviteit was onder andere het houden van een plechtige oecumenische her-denkinsdienst voor de overleden ambtenaren. Mevrouw Rouppe van der Voort ontving de ere-medaille, behorend bij het ere-bur-gerschap, posthuum verleend aan de oud-burgemeester. Ook generaal Maczek werd uitgenodigd om de ere-medaille in ontvangst te nemen. Voor de inwoners van Nieuw-Ginneken werden diverse feestelijke aktiviteiten op touw gezet en voor de jeugd werd een filmmiddag georganiseerd.

Op 1 januari 1982 bestond de gemeente Nieuw-Ginneken 40 jaar en Ulvenhout 700 jaar. Als data voor de festiviteiten werd de periode 29 augustus tot en met 6 september 1987 gekozen. Het centrale punt waar de festiviteiten plaatsvonden was het Pekhoeveterrein. De reguliere kermis van Ulvenhout viel ook in dezelfde periode. De aktiviteiten bestonden uit: kermis, harmonieënfestival, feesttent, avondvierdaagse, dorpsbarbecue, wagenspel, grote balonnenwedstrijd, kinderaktiviteiten, tentoonstelling fotoclub, lesbrieven scholen en een groot kampvuur. De gemeente sprong financieel bij in de vorm van een garantiesubsidie.

Op 1 januari 1992 vierde de gemeente Nieuw-Ginneken zijn 50 jarig bestaan. Hieraan werd eveneens ruim aandacht aan besteed. De viering van dit feest werd opgehangen aan drie elementen ook met het oog op het gegeven dat nu ieder kerkdorp zich in de viering kon profileren.

Ook hier stelde het gemeentebestuur een krediet beschikbaar ten behoeve van de feestelijke aktiviteiten. Het jubileum werd 13 december 1992 afgesloten met een feestelijke muzikale uitvoering van het Gemengd Koor Bavel in de parochiekerk H.Maria ten Hemelopneming.

De gemeente Nieuw-Ginneken, van oudsher een agrarische gemeente, werd tevens een echte forensengemeente en een recreatiege-meente. Nietemin is de agrarische inslag blijven bestaan.

Nieuw-Ginneken was ook pilot-gemeente bij het opstarten van het G.B.A.-project (Gemeentelijke Basisadministratie van Burgerzaken). Dit slaagde en momenteel werken vele gemeenten op basis van het G.B.A. zoals Nieuw-Ginneken dit al eerder deed. In het kader van jumelage knoopte Nieuw-Ginneken vriendschapsbanden aan met de gemeente Zakopane in Polen. De overeenkomst met de stad Zakopane in Polen dateert reeds vanaf 1989. Over en weer vinden er culturele uitwisselingen plaats. Op grond van deze overeenkomst werd ook (projectmatig) hulp geboden in sociale zin. Zo werd onder meer hulp geboden aan het kinderdagverblijf en het kinderziekenhuis aldaar. In 1993 werd door het bestuur van het Canton de Vêlines in Frankrijk en het gemeentebestuur van Nieuw-Ginneken een overeenkomst tussen beide streken ondertekend. Op cultureel, toeristisch, sociaal en economisch terrein vonden over en weer uitwisselingen plaats.

In de tachtiger jaren vreesde het gemeentebestuur een nieuwe annexatie oftewel een gemeentelijke herindeling hing in de lucht. Dit naar aanleiding van een uitgebracht rapport betreffende een nieuwe bestuurlijke indeling in Nederland, met name in de provincie Noord-Brabant. De op 12 april 1988 opgerichte Commissie Schampers had hiervoor plannen ontworpen om tot een totale nieuwe gemeentelijke herindeling te komen. Dit werd uiteindelijk een feit na veel gedebatteer en verwoede pogingen van het gemeentebestuur van Nieuw-Ginneken om als zelfstandige gemeente te kunnen blijven bestaan, (zie verder Rubriek V "Opheffing van de gemeente Nieuw-Ginneken"). De gemeente Nieuw-Ginneken heeft altijd in haar beleid duidelijk getracht te stellen (1976-1996) dat elke vorm van opheffing van de zelfstandigheid van een of meer delen van de gemeente middels annexatie of anderszins zou worden afgewezen. 2)

In de gemeente Nieuw-Ginneken werd in feite de oude lijn van de vroegere gemeente Ginneken en Bavel voortgezet. Uit de drie kerkdorpen kwamen ook drie politieke partijen. De verdeling Bavel-Ulvenhout en Galder/Strijbeek liep jarenlang als een rode draad door de gemeenteraad, ongeveer de helft van de zetels voor Ulvenhout, ruim een derde voor Bavel en de overblijvende een of twee zetels voor Galder/Strijbeek. De wethouders werden meestal ook verdeeld over Ulvenhout en Bavel.

Als eerste burgemeester werd mr. H.C.A. Muyser benoemd die kort na de oorlog geschorst werd. In 1946 werd J.A.M. Rouppe van der Voort tot burgemeester benoemd.

Hij was burgemeester van 1946 tot 1960 en werd opgevolgd door dr. W.L.P.M. de Kort, welke in juni 1974 weer werd opgevolgd door drs. M.J.H. van der Ven, die in 1987 afscheid nam wegens zijn benoeming tot burgemeester van de gemeente Etten-Leur.

Burgemeester Van der Ven werd opgevolgd door P. van de Velden tot 1995 waarna mevrouw A.T.J. Bax-Broeckaert hem opvolgde. Zij was burgemeester tot en met 31 december 1996 als gevolg van de gemeentelijke herindeling per 1 januari 1997.

De eerste gemeentesecretaris was G.M. van Zwol van 1943-1970. Hij werd op 2 januari 1970 eervol ontslagen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Hij werd opgevolgd door mr. drs. Th. Bossink, welke officieel benoemd werd door de gemeenteraad bij raadsbesluit van 17 juni 1969. In maart 1987 nam deze afscheid. Drs. Nuyten volgde hem korte tijd op (1988-1991). De "laatste" gemeentesecretaris was J.G. Coppens welke -noodgedwongen- tot en met 1996 in functie bleef. Vanwege de gemeentelijke herindeling werd het gemeentesecretarisschap per 1 januari 1997 beëindigd.

Vanaf begin jaren zeventig deden de adviescommissies binnen Nieuw-Ginneken hun intrede. Deze commissies van advies en bijstand adviseerden het college van Burgemeester en Wethouders of oefenden bepaalde overgedragen bevoegdheden van de gemeenteraad middels delegatie uit. De commissies waren:



Rond en in de jaren vijftig kende de gemeente Nieuw-Ginneken de volgende (administratieve) struktuur c.q. organisatie:



Naar aanleiding van een rapport van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (V.N.G.) op 26 juni 1954 werd een reorganisatie uitgevoerd. De secretarie werd -vanwege de aanbevelingen en adviezen in dit rapport- verdeeld in Afdelingen, te weten: Afdeling I, II, III en IV.

Afdeling I kreeg taken op het gebied van:

Archief en registratuur, personeelszaken, interne controle op de gemeentefinanciën, leningsdienst, krediethypotheken, uitvoering van wetten en werkzaamheden, voor zover door de gemeentesecretaris niet aan anderen opgedragen, o.a. de Gemeentewet, provinciale- en gemeentelijke verordeningen, begrotingsvoorschriften, Drankwet, Hinderwet, Onderwijswet, Besmettelijke Ziektenwet, Vleeskeuringswet en de Woningwet;

Afdeling II kreeg taken op het gebied van:

Burgerlijke Stand, Bevolking, Militaire Zaken, Kieswet, Jachtwet, Visserijwet, Vuurwapenwet, Leerplichtwet, Inentingswet, Wet Autovervoer Personen en (administratief) de Wet Bescherming Bevolking en Evacuatie;

Afdeling III kreeg taken op het gebied van:

Ontvanger, secretaris-penningmeester Burgerlijk Armbestuur Nieuw-Ginneken, secretaris Commissie Woonruimtewet, secretaris Commissie Noodwet Ouderdomsvoorziening, correspondent I.Z.A., Maatschappelijk Werk, Armenwet, Woonruimtewet, Krankzinnigenwet en sociale regelingen met betrekking tot de bescherming bevolking en evacuatie;

Afdeling IV kreeg taken op het gebied van:

Openbare Werken, Bouwtoezicht, Brandweer, Bescherming Burgerbevolking (technisch) en de technische zijde van de uitvoering van administratieve wetten.

In totaal waren er 12 administratieve en technische functies in Nieuw-Ginneken. In verband met de personele uitbreiding van de "dienst" Openbare Werken en Bouwtoezicht in 1964 werd een nadere taakverdeling opgesteld en werd er gesplitst ten aanzien van het technisch en administratief personeel van Bouwtoezicht. In juli 1966 werden alle salarissen voor het personeel van weekloon omgeschakeld op maandloon.

In 1968 werd een scheiding doorgevoerd tussen de functie van ontvanger en die van ambtenaar sociale zaken. Dit op aandringen van het Centraal Bureau voor Verificatie en Financiële Adviezen. Het hierboven geschetste organisatiemodel bleef gehandhaafd tot en met februari 1972. Op 1 maart 1972 werd de afdeling Algemene Zaken, Financiën en Sociale Zaken opgesplitst in twee afdelingen. Het kantoor van de gemeenteontvanger werd opgeheven. De werkzaamheden van dit kantoor werden overgeheveld naar andere afdelingen. De afdeling Algemene- en Sociale Zaken kreeg van het ontvangerskantoor als taak erbij de werkzaamheden op het gebied van de woningnood, kermisaange-legenheden, evacuatie e.d. (Zie bijlage 2)

Het automatiseringsproces deed zijn intrede eind zestiger jaren, met name in 1969.

Per 1 augustus 1975 werd de (sub)afdeling Interne Zaken geformeerd. Nadat het fotografisch systeem van inboeken van ingekomen post werd verlaten werd het fiche-doorschrijfsysteem ingevoerd, waarna het tevens mogelijk werd om een voortgangs-en afdoeningscontrole in te voeren. In de tachtiger en negentiger jaren werd het automatiseringsproces op de (sub)afdeling Interne Zaken verder uitgebreid en doorgevoerd.

Op 21 juni 19 79 verscheen een rapport, opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, getiteld: "Bezinning met betrekking tot het functioneren van de gemeentelijke organisatie van Nieuw-Ginneken".

De aanzet tot de "bezinning" stond in verband met de -steeds -groeiende taak van de gemeente en zich steeds wijzigende inzichten omtrent het samenspel tussen gemeentebestuurders en ambtenaren. In 1985 werd door de gemeentelijke werkgroep "Bezinning verbetering struktuur gemeentelijk apparaat" (binnendienst) een nota aangeboden aan de Commissie van Georganiseerd Overleg om hierover een oordeel te geven.

De Commissie gaf een positief oordeel over dit rapport en deelde dit het college van Burgemeester en Wethouders mede, waarna het college het rapport (nota) vaststelde in 1986.

Ook het (eventueel) privatiseren van de buitendienst van Openbare Werken kwam aan de orde, gelet op door te voeren en noodzakelijke bezuinigingen. Een verricht vergelijkingsonder-zoek met betrekking tot de hierdoor op te leveren bezuiniging leverde nauwelijks de beoogde bezuiniging op en bleef verder achterwege.

Een andere organisatorische invulling kreeg Burgerzaken dat als bureau ondergebracht werd bij de afdeling Financiën en Personeelszaken. Verder werden de werkzaamheden van het Bedrijfsbureau ("Grondbedrijf") herverdeeld; zo werd de financiële administratie van het "Grondbedrijf" ondergebracht bij het bureau Financieel Beheer en werd de budgetbewaking opgezet door Openbare Werken.

In 1990 volgde een reorganisatie binnen de secretarie en werd een uiteindelijke opstelling gekozen voor het realiseren van een "driepoot", te weten: de Sector Financiën, de Sector Algemene Zaken en de Sector Openbare Werken. In 1991 was de reorganisatie een feit en de nieuwe struktuur ging in 1992 van start. Wel onderging de Sector Openbare Werken in 1993 nog een kleine wijziging in de organisatiestruktuur. Deze ging bestaan uit de bureaus Volkshuisvesting, waaronder het voormalig bureau Bouwtoezicht, het bureau Ruimtelijke Ordening en Milieu alsmede het bureau Civiel- en Cultuurtechniek (binnen- en buitendienst).

De gemeentesecretarie telde rond 1954 in totaal zo'n 11 personeelsleden, exclusief de burgemeester en de secretaris. De gemeenteraad bestond eveneens uit 11 raadsleden. Door de sterke toename van het taakgebied nam dienovereenkomstig ook het personeelsbestand gestaag toe. In 1970 bijvoorbeeld was het personeelsbestand gegroeid tot 40 mensen, inclusief Openbare Werken en buitendienstmedewerkers; rond 1980 waren dat er 58 terwijl in 1994 73 personeelsleden in dienst van de gemeente Nieuw-Ginneken waren.

Het systeem van tijdschrijven ten behoeve van het personeel voor de gehele organisatie werd per 1 januari 1995 ingevoerd. Bij besluit van het college van Burgemeester en Wethouders dd. 8 oktober 1996 werd besloten de archieven af te sluiten in verband met het definitief bekend worden dat de gemeente Nieuw-Ginneken op zou houden te bestaan als een zelfstandige gemeente per 1 januari 1997.

De taken van de gemeente Nieuw-Ginneken waren vanaf het ontstaan per 1 januari 1942 tot en met 1996 flink toegenomen. Dit vanwege onder andere maatschappelijke veranderingen, zienswijzen en invloeden wel of niet van buitenaf.

De taken die de gemeente Nieuw-Ginneken bij het ontstaan uitvoerde en behartigde lagen op het vlak van het onderwijs, gezondheidszorg, volksontwikkeling, cultuur, volkshuisvesting, bevordering van handel en industrialisatie en de bestrijding van de armoede en verpaupering. Vooral na de Tweede Wereldoorlog en in de jaren zestig, zeventig en tachtig nam het aantal taken behoorlijk toe, en bovendien werd een aantal meer uitgebreid en zwaarder (o.a. milieuzaken).

De bevolkingsexplosie na de Tweede Wereldoorlog had ook zijn invloed doen gelden in Nieuw-Ginneken, o.a. op de terreinen van woningbouw, maatschappelijke zorg en welzijn.

De taken die de gemeente Nieuw-Ginneken uiteindelijk in 1996 uitoefende waren talrijk. Zo had de gemeente taken en bemoeienissen op het gebied van: - eigendommen, - openbare werken,

Al de bovengenoemde taakuitvoeringsgebieden werden hetzij middels wetgeving door het Rijk aan de gemeente opgelegd om eraan uitvoering te geven hetzij door de gemeente zelf geregeld onder wel of geen goedkeuring gegeven door het hoger gezag (automie en zelfbestuur) . Dit alles ten behoeve van de burger (lokale gemeenschapszin) . Om alle taken op een goede en juiste manier te behartigen had de gemeente Nieuw-Ginneken hiervoor het benodigde personeel aangetrokken. De taakuitoefening van de gemeente Nieuw-Ginneken lag zowel op beleidsmatig niveau als op uitvoeringsniveau. Op genoemde vlakken werd het college van Burgemeester en Wethouders, zoals vermeld, bijgestaan door door hen ingestelde vaste commissies van advies en bijstand, welke bepaalde bevoegdheden hadden krachtens delegatie door het college van Burgemeester en Wethouders. 3)

De gemeente Nieuw-Ginneken was bij haar ontstaan in 1942 gehuisvest in het gemeentehuis van de opgeheven gemeente Ginneken en Bavel. Dit gemeentehuis bevond zich op het geannexeerde grondgebied van de gemeente Breda, gelegen aan de Raadhuisstraat 6. Deze huisvesting aldaar heeft 21 jaar geduurd. In 1963 (officiële opening nieuw gemeentehuis was op 4 januari 1964) werd intrek genomen in het nieuw gebouwde gemeentehuis, gelegen aan het Wilhelminaplein 5 te Ulvenhout. Het gebouw lag niet centraal binnen de dorpsgemeenschap, maar werd gesitueerd aan de nieuwe verbindingsweg tussen Bavel en Ulvenhout.

Het is een ontwerp van architekt Alfons Siebers. Met de nieuwbouw was in 1960 begonnen, en begin 1963 was de bouw klaar. Vanwege ruimtegebrek werd door de gemeenteraad van Nieuw-Ginneken op 1 december 1977 besloten tot uitbreiding van het toen pas 14 jaar oude gemeentehuis. Op 26 augustus 1978 werd dit nieuw gedeelte, tot stand gekomen onder architektuur van ir. F. Ruijs, officieel geopend door burgemeester drs. M.J.H. van de Ven. Na nog in 1990 een ingrijpende verbouwing te hebben ondergaan werd het gemeentehuis officieel heropend op 15 juni 1991 door mr. K. de Vries, hoof ddirekteur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Op dezelfde datum werd tevens afscheid genomen van gemeentesecretaris drs. H. Nuijten. Met deze laatste verbouwing kreeg het gemeentehuis een meer publiekvriendelijker en toegankelijker karakter. Per 1 januari 1997 dient dit gemeentehuis te Ulvenhout als stadsdeelkantoor van de gemeente Breda.

Voor de huisvesting van Openbare Werken en de vrijwillige brandweer werd het noodzakelijk om te zoeken naar een terrein voor de bouw van een brandweercomplex annex Openbare Werken kantoorgebouw. Het terrein waar Openbare Werken eerder gehuisvest was, namelijk in de Grimhuijsenstraat te Ulvenhout, was te klein geworden. Na onderzoek was er te Ulvenhout geen mogelijkheid om een perceel grond aan te kopen ter grootte van zo'n 8000 m2 voor de bouw van de beoogde kantoorruimten annex brandweerkazerne. Wel werd de mogelijkheid gevonden tot het huren van een grote loods van de firma Van den Broek te Ulvenhout met een voorkeursrecht van koop. De duur van de huur werd bepaald op 50 jaar. Op 19 augustus 1980 besloot de gemeenteraad de huurovereenkomst aan te gaan met de firma Van den Broek ten behoeve van de huisvesting van Openbare Werken en de vrijwillige brandweer.

Van groot belang voor de gemeenten in de tachtiger jaren was het landelijk en provinciaal beleid op het terrein van de gemeentelijke herindeling.

Doel van dit beleid was het versterken van gemeenten, onder andere op bestuurlijk niveau. Versterking was nodig om zoveel mogelijk taken bij de gemeenten als dichtst bij de burger staande bestuurslaag te kunnen onderbrengen. Genoemd doel gold ook voor het samenwerkingsgebied Breda (Breda en de randgemeenten) . Versterking van de gemeenten was bovendien nodig vanwege maatschappelijke, sociaal-economische en technische ontwikkelingen, die in de toekomst een steeds zwaardere wissel op de gemeenten zouden trekken.

Het herindelingsbeleid was kortom erop gericht iedere gemeente qua schaal en draagvlak zo toe te rusten dat deze, rekening houdend met taak, plaats en functie, haar taken nu en in de toekomst adequaat zou kunnen behartigen. Daarbij gaat het met name om het wegnemen van knelpunten, die zich in de bestuurspraktijk voordoen.

In een groot aantal aantal gemeenten, waaronder die in het samenwerkingsgebied Breda, deden zich sociaal-geografische knelpunten voor, die verband hadden met het grensbeloop.

Reeds op 12 april 1988 besloten Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, conform de uitnodiging van Provinciale Staten, tot de instelling van een bestuurlijk adviescollege, te weten: de "Commissie Schampers".

Voor de herindeling in het samenwerkingsgebied Breda werd de procedure gevolgd volgens regels op grond van de Wet Algemene Regels Herindeling (Wet A.R.H.I.).

In het voorjaar van 1991 besloten de gemeenten Nieuw-Ginneken, Chaam, Alphen en Riel en Baarle-Nassau vrijwillig tot "opheffing" van hun afzonderlijke gemeenten en spraken uit op te gaan in één "Grote Groene Gemeente".

Zij deden dit omdat zij enerzijds van mening waren dat de complexiteit van wetgeving een krachtig bestuur vergde en anderzijds omdat de vier gemeenten veel overeenkomsten vertoonden, die een gezamenlijke aanpak vereisten: veel agrarische aktiviteiten, behoud van kostbaar groen en recreatieve aktiviteiten. Het werd belangrijk geacht dat middels samenwerking een sterke "groene" buffer ontstond ten opzichte van het verstedelijkingsproces rond de gemeenten Breda en Tilburg. Het initiatief werd onderbouwd door twee wetenschappelijke rapporten van de hand van het Bureau Verkuijlen (ruimtelijk) en van de K.U.B. (Katholieke Universiteit Brabant).

Naast de uitspraak van de vier gemeenteraden van genoemde gemeenten om samen te gaan ontstond een tweede initiatief. Inwoners van de vier gemeenten besloten tot oprichting van een "Platform Grote Groene Gemeente". Dit was een niet-politiek gebonden belangengroepering, die het bestuurlijk initiatief wilde ondersteunen. Na enige tijd haakte het gemeentebestuur van Baarle-Nassau af vanwege het feit dat een sterke maatschappelijke stroming zelfstandigheid van deze gemeente voorstond. De gemeenteraad van genoemde gemeente maakte zich daarna sterk voor de zelfstandigheid van deze gemeente.

In september 1992 gaf de Commissie Schampers het college van Gedeputeerde Staten het advies het initiatief van de "Grote Groene Gemeente" ten dele over te nemen. Het advies luidde: "Voeg de gemeenten Nieuw-Ginneken, Chaam, Alphen en Riel minus de kernen Bavel en Riel aan de gemeente Baarle-Nassau toe, nadat de enclave-problemen met het Belgische Baarle-Hertog zijn opgelost". Zowel de drie overgebleven gemeentebesturen als het "Platform" hadden tegen dit uitgebracht advies bezwaar aangetekend.

In april 1993 kwam het college van Gedeputeerde Staten met een eerste concept-besluit dat vrijwel het advies van de Commissie Schampers dekte.

De nieuwe gemeente zou de naam Baarle-Nassau krijgen. Bavel zou aan de gemeente Breda worden toegevoegd en Riel zou naar de gemeente Goirle gaan. Wederom hadden de drie gemeenteraden en het "Platform" ernstig bezwaar aangetekend met als argument dat zowel Bavel als Riel onlosmakelijk aan de groene gemeente verbonden waren en qua karakter en inwonertal noodzakelijk waren voor een krachtig professioneel bestuur met full-time wethouders om de eerder genoemde problematiek aan te kunnen pakken.

Zonder dat er formeel iets bekend werd deden signalen de ronde, wijzend in de richting van toevoeging van de totale gemeente Nieuw-Ginneken aan de gemeente Breda. De reacties van inwoners en verenigingen op herindelingsplannen van Gedeputeerde Staten waren talrijk en erg creatief, zoals bijvoorbeeld de kaartenaktie: Ulvenhout 900 protestkaarten en 960 bezwaarschriften; Bavel 1000 kaarten en 700 bezwaarschriften; Galder-Strijbeek 100 kaarten en 100 bezwaarschriften) Bij informatie bij de provincie werd medegedeeld dat indieners van particuliere bezwaarschriften en besturen van verenigingen geen bericht van ontvangst zouden ontvangen.

Aan de Stuurgroep "G.G.G." (een club van burgemeesters en secretarissen) werd verzocht te bekijken of het houden van een referendum de zaak van de "G.G.G." (=Grote Groene Gemeente) goed zou kunnen doen.

Bij een reeds eerder gehouden enquête c.q. referendum in november 1992 was de uitkomst dat 76% vóór een Grote Groene Gemeente was. De Stuurgroep was van mening dat de 76% de basis moest blijven van de mening van de inwoners van de Grote Groene Gemeente. Een referendum op zich was een unieke wijze van raadpleging en kon bovendien landelijke aandacht trekken. Het resultaat van een dergelijk referendum kon echter ook een verdeelde mening tot uiting brengen, wat het succes van het referendum mogelijk nadelig zou kunnen beïnvloeden.

Op 10 april 1995 werd door enkele leden van het "Platform" een nota overhandigd aan mevrouw De Rooij-Sonneveld van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Uiteindelijk werd op 3 januari 1996 het wetsontwerp met betrekking tot de herindeling behandeld door de Commissie van Binnenlandse Zaken. De inhoud was duidelijk. Nieuw-Ginneken in zijn geheel naar Breda en Baarle-Nassau, Chaam en Alphen en Riel zouden tot een kleine groene gemeente samengevoegd worden .

Op 13, 14 en 15 maart 1996 werden hoorzittingen gehouden in de Tweede Kamer, waarbij het "Platform" Nieuw-Ginneken aanwezig was, en daarna haar finale standpunt in moest nemen.

Nog steeds was het duidelijk dat de Staatssecretaris, en met haar het Kabinet, uitgingen van versterking van de steden en daar verder alles aan op te hangen wensten. Nagegaan werd of het mogelijk was dat het "Platform" een laatste ludieke aktie kon ondernemen. Overwogen werd te onderzoeken om de Nationale Ombudsman te consulteren.

Op 22 en 23 mei 1996 vond in de Tweede Kamer de plenaire behandeling plaats van het wetsvoorstel inzake de gemeentelijke herindeling in grote delen van Noord-Brabant, met name het samenwerkingsgebied Breda. Over de uitkomst hiervan was het volgende te melden:

de kern Riel van de gemeente Alphen en Riel ging naar de gemeente Goirle;

- de gemeente Baarle-Nassau bleef zelfstandig, Alphen werd gevoegd bij de gemeente Chaam, welke de nieuwe gemeente Alphen-Chaam ging heten.

De stemming over dit wetsvoorstel -na amendering- vond plaats op woensdag 29 mei 1996 met bovengenoemd resultaat.

Bij brief van 23 juni 1996 zond het gemeentebestuur van Nieuw-Ginneken nog een aangenomen motie van de gemeenteraad dd. 12

juni 1996 naar de Tweede Kamer, naar aanleiding van het door de Tweede Kamer aanvaarde wetsvoorstel tot gemeentelijke herindeling van met name het samenwerkingsgebied Midden- en Westelijk Noord-Brabant. Het mocht echter niet baten. Bij Wet van 11 september 1996 tot Gemeentelijke Herindeling in de Samenwerkingsgebieden Midden-Brabant, Breda en Westelijk Noord-Brabant en in een gedeelte van de Samenwerkingsgebieden Zuid-Oost Brabant en 's-Hertogenbosch (Stb. 449) werd de herindeling een feit; hiermede hield de gemeente Nieuw-Ginneken op te bestaan als zelfstandige gemeente met ingang van 1 januari 1997.

Ulvenhout en de kern Bavel werden bij de gemeente Breda gevoegd. De kernen Strijbeek en Galder gingen in hun geheel over naar de nieuwe kleine groene gemeente Alphen-Chaam. 5) 6)



Bron: Stadsarchief gemeente BREDA